Rosemary Joshua

over het experiment en de menselijke benadering in opera

Rosemary Joshua

De Britse sopraan Rosemary Joshua is artistiek leider van de in 2018 opgerichte Nationale Opera Studio, een tweejarig ontwikkelingsprogramma voor operatalenten. Bij de start van de vierde lichting sprak Ammodo met haar over de rol van de Studio in de ontwikkeling van opera als kunstvorm.

Wat inspireerde u aan het begin van uw carrière? 

Als jonge performer en kunstenaar werd ik geïnspireerd door het werken met dirigenten. Ik had een bevoorrechte start; ik werkte met internationaal vermaarde figuren als Sir Charles Mackerras, Sir Colin Davis, William Christie en René Jacobs. Veel operarollen heb ik in samenwerking met hen voor het eerst geleerd. Aan het begin van mijn carrière, begin jaren negentig, was het nog gebruikelijk om vijf weken repetitietijd met de dirigent te hebben. Dat was een uitzonderlijk geschenk. Nu is dat namelijk heel anders en zijn dirigenten maar beperkt beschikbaar tijdens repetities.

Geluk is een grote factor bij het maken van een operacarrière. Ik had het geluk mijn carrière te beginnen bij English National Opera. Toen ik net het conservatorium uit strompelde maakten de beroemdheden Peter Jonas, David Pountney en Sir Mark Elder net een gouden periode door bij de English National Opera. Zij waren met zijn drieën ‘the powerhouse’ en hadden enorme drang naar experiment. Dankzij hen kwam ik al vroeg in aanraking met vooruitstrevende en spannende manieren van opera maken.

Kun je een voorbeeld geven van de experimentele jaren negentig? 

Het operagezelschap was destijds erg gericht op traditie, totdat Jonathan Miller een ongelooflijke Rigoletto van Verdi neerzette die alle records brak en decennialang werd opgevoerd. Voor zijn iconische Mikado verving hij de traditionele Japanse setting door een Engels kusthotel uit de jaren 30. Ik herinner me hoe ik als Norina in Don Pasquale van Donizetti op een motor het podium opreed. Motoren op een podium, dat was nog nooit vertoond. Ook brachten Nicholas Hytner en David Alden de barokmuziek opnieuw bij het publiek. English National Opera maakte destijds een aantal iconische producties die hun tijd vooruit waren en mensen rechtop op hun stoel lieten zitten. Ze gaven stukken een nieuwe context. En dat heeft het publiek alleen maar gewaardeerd. We zijn er nooit mensen door kwijtgeraakt.

Hoe staat het genre er tegenwoordig voor? Is opera nog steeds zo experimenteel? 

Op een zeker moment zijn we achterover gaan leunen. Bijna alles wat er in de operawereld gebeurde voelde als een open deur en als bezoeker wist je precies wat je kon verwachten. We moeten vandaag de dag weer meer provoceren. Dan wek je interesse en blijven mensen komen. We moeten het publiek niet te veel willen opvoeden, maar een zekere nieuwsgierigheid aanwakkeren. Dat doen we door bijvoorbeeld samen te werken met filmregisseurs zoals Nanouk Leopold in Der Zwerg en modeontwerpers als Jan Taminiau in Ritratto. Zo moet opera zich gaan bewegen in de compleet nieuwe wereld van het visuele. Dan ontstaat er interessante frictie.

Wat is de visie achter de Opera Studio? 

De Opera Studio is ingericht als een thuishaven die zeven à acht jonge talenten de ruimte biedt om zich in hun eigen tempo te ontwikkelen. Alle deelnemers doen mee vanuit dezelfde ambitie: om hun weg te vinden in de wereld van opera. Het is bijzonder om deze kleine groep te kunnen ondersteunen in hun individuele zoektocht op muzikaal-artistiek vlak. In de Studio kunnen de zangers aan zelfonderzoek doen door middel van vallen en opstaan. Die mogelijkheid ontbreekt nu in de industrie: doordat het kostbaar is, is het maakproces van een opera is kort. Jonge zangers hebben tijd nodig om zichzelf als artiest te kunnen uitvinden. Wat zijn hun sterke en zwakke punten? Wat willen ze vertellen?

Het bijzondere aan de Studio is dat we echt in het hart van het de Nationale Opera opereren. We staan niet aan de zijlijn maar maken onderdeel uit van het operahuis. We werken met dezelfde muziekstaf, nemen deel aan de belangrijkste producties en eten in dezelfde kantine. Zo maken de zangers van Opera Studio deel uit van de grote machine die het operahuis is.

Waarop selecteert u de Opera Studio-zangers? 

Het belangrijkste is dat ik geraakt word door het geluid van de menselijke stem. Het makkelijkst zou zijn om gewoon de winnaars van de grote competities te kiezen, maar dat is voor mij niet uitdagend genoeg. Ik ben altijd op zoek naar zangers met iets menselijks en oprechts. Tijdens audities sluit ik de eerste dertig seconden mijn ogen om te ervaren: raakt deze stem mij? Doet het mijn hart sneller kloppen? Zorgt het geluid ervoor dat ik op het puntje van mijn stoel ga zitten omdat het iets nieuws en unieks is? Vervolgens kijk ik naar het individu. Artiesten die op het podium komen en de zenuwen ontstijgen, die hun menselijkheid tonen en iets authentieks te vertellen hebben – in hen ben ik geïnteresseerd.

Zo hebben we dit seizoen een baszanger uit Zuid-Korea in de Studio. Aanvankelijk ontdekte ik hem in 2017 en vond ik dat hij een fenomenale stem had. Ik nodigde hem uit deel te nemen aan het eerste seizoen van de Studio. Helaas werd hij opgeroepen voor militaire dienst. Hij diende twee jaar en de operascene ging ervan uit dat dit het einde van zijn carrière was – je wordt in deze wereld even snel vergeten als ontdekt. Ongeveer acht maanden geleden kwam ik opnieuw met hem in contact en op de een of andere manier is heeft hij zijn stem op peil weten te houden tijdens zijn dienstperiode. Ik wilde hem de ​mogelijkheid geven die hij twee jaar geleden miste. Deze menselijke benadering is hard nodig in de operawereld.

Wat probeert u vanuit didactisch oogpunt bij de jonge talenten naar boven te brengen? 

Ik doe nooit aannames over een zanger. Het mooie van mijn positie is dat ik altijd verrast word door makers. Ik vertrouw ze en help hen individueel zo ver te laten komen als ze kunnen. Ik kan ze niet veranderen in iets wat ze niet zijn, dat is een belachelijk idee. Ik kan ze alleen maar helpen om de beste versie van zichzelf als artiest te vinden, en ze inspireren om hun fantasie meer te gebruiken en nieuwsgieriger te zijn. Daarnaast is het mijn taak om duidelijk te zijn en discipline aan te brengen. Ik moet de zangers aanleren zich professioneel te gedragen in het grote gezelschap van De Nationale Opera. De zangers mogen nooit vergeten dat ze slechts een klein onderdeel zijn van een groter geheel.

Op welke manier dient de Opera Studio het instituut de Nationale Opera? 

Tegenwoordig willen we opera naar een nieuw publiek brengen. Om nieuwe doelgroepen te prikkelen, moeten we experimenteel en fantasierijk zijn. Zangers kunnen gemakkelijk in hun ideeën over opera vastroesten, doordat ze zijn opgeleid aan gerenommeerde maar vaak traditionele conservatoria waar men gebrand is op onbelangrijke zaken zoals het behalen van een diploma. Een van de taken van de Studio is om de zangers meer open van geest te maken. Hoeveel talent je hebt is niet eens meer het allerbelangrijkst. Als je niet flexibel bent en als je niet open staat om alle mogelijkheden van de kunstvorm te omarmen, ben je geen lange loopbaan beschoren. Onze zangers moeten vandaag de dag mee kunnen veranderen met de kunstvorm in al zijn vormen en structuren. Het traject in de Studio kan hen hopelijk helpen om verdere interesse in de kunstvorm aan te wakkeren en te ontwikkelen.

Waar ligt in deze tijden de grootste uitdaging voor jonge zangers? 

Het tempo in opera ligt nu waanzinnig hoog. Er is minder voorbereidingstijd, minder repetitietijd, minder tijd met het orkest en minder studiotijd. In de voorbereiding wordt veel meer van het individu verwacht.

En dertig jaar geleden trad een zanger enkel op voor het publiek dat hij voor zich had. Vandaag treedt hij op voor het publiek dat hij voor zich heeft, maar tegelijkertijd voor een wereldwijd online publiek. Daarom moet elke uitvoering die hij doet zijn beste zijn. Als een zanger een slechte avond heeft, heeft iedereen daar te allen tijde toegang toe. Dat is meedogenloos voor een artiest, want je kunt simpelweg niet altijd op je beste kunnen presteren.

Tenslotte durf ik te stellen dat de concurrentie heviger is dan ooit. Een zanger moet elke kans die zich voordoet met beide handen aangrijpen.

Als u één persoon mocht noemen met wie u binnen de Opera Studio iets zou willen creëren, wie zou dat dan zijn? 

Dat zou de Britse regisseur Richard Jones zijn. Hij is een genie en onwijs eigenzinnig. Daarnaast heeft hij veel ervaring in de theaterwereld. Hij is erg van de kruisbestuiving. Tijdens de voorbereiding van een stuk kan hij refereren aan een sitcom, soaps, MTV, popmuziek, kunst met een grote K of een heel specifiek zestiende-eeuws schilderij. Hij is een wandelende encyclopedie, een oneindige fontein van kennis. Voor jonge zangers zou het zeer opwindend en informatief zijn om met Jones samen te werken en kennis te nemen van zijn immense talent.

Hoe ziet uw carrière er de komende jaren uit?

Mijn huidige functie geeft me zoveel. Ik kan me weinig banen bedenken die me deze mate van voldoening zouden geven. Maar uiteindelijk ben ik een kunstenaar en zal ik nooit ophouden een kunstenaar te zijn. Ik zal altijd zal proberen de ruimte te vinden om te creëren en creatief te zijn, zodat ik artistieke frustratie kan voorkomen. In mijn lesgeven en coaching doe ik alles vanuit artistiek oogpunt. Elke beslissing die ik neem met betrekking tot mijn zangers, neem ik door de ogen van de kunstenaar. Ook kijk ik constant hoe ik hen in staat kan stellen om individueel te groeien. Als hoofd van de Studio moet ik een balans vinden tussen mijn werk voor de instelling en de behoeften van mijn jonge talenten. Dat is een constante uitwisseling van vertrouwen. Het mooiste aan dit vak is dat ik de zangers kan inspireren en zich gewaardeerd kan laten voelen. Een groot geschenk.

Foto’s: Florian Braakman