Ben Feringa

over bescheiden blijven en het vieren van de wetenschap

Ben Feringa

Ben Feringa (1951) is hoogleraar Organische chemie aan de Rijksuniversiteit Groningen en Akademiehoogleraar bij de KNAW. In 2016 won hij de Nobelprijs voor de Scheikunde voor zijn werk aan moleculaire machines, maar daarvoor werd hij ook al onderscheiden met een Spinozapremie en een Van ’t Hoff-medaille. Feringa gebruikt de extra aandacht van de Nobelprijs om zich hard te maken voor onderwijs en onderzoek.

Je kreeg die Nobelprijs bijna drie jaar geleden, voor onderzoek dat eind jaren negentig leidde tot de moleculaire motortjes. Hoe is het sinds die eerste ontdekking gegaan?

Ik moet dan eigenlijk even bij het begin beginnen. Eind jaren tachtig kwam er een nieuw subsidieprogramma waarbij je aan nieuwe materialen kon werken en toen dacht ik: laten we optische informatieopslag doen met moleculen, vergelijkbaar met hoe de moleculen in je oog informatie naar de hersenen kunnen doorgeven zodra er licht op schijnt. Ik herinnerde me iets uit mijn proefschrift wat destijds helemaal nutteloos was, maar hiervoor wel heel goed geschikt leek. Op basis daarvan hebben we toen een moleculair schakelsysteem gebouwd waarin je informatie kon opslaan. Tien jaar later kwamen we erachter dat één van die moleculen niet heen en weer schakelde maar gewoon doordraaide. Toen we dat eenmaal begrepen hebben we een moleculair motortje gebouwd, een rotatie motortje. En zo is het allemaal begonnen, met een beetje toeval. Eigenlijk was de hele fundamentele vraag: hoe kan ik iets laten bewegen? Ons lichaam kan dat namelijk ook. Alles in je lichaam wordt bewogen door nanomotortjes, door de evolutie voor ons bedacht. Maar de materialen die we als mensen kunnen maken kunnen niet vanzelf op dat moleculair niveau bewegen. Toen we eraan begonnen te werken en erachter kwamen dat we iets konden maken dat op moleculair niveau kan bewegen was het hek van de dam. Want dat heeft natuurlijk allerlei fancy mogelijkheden. We hebben windmolentjes op oppervlakken gezet zodat je die oppervlakken kunt beïnvloeden, bijvoorbeeld zichzelf laten schoonmaken. We hebben een nano-autootje gebouwd, dingen laten bewegen, en vorig jaar een kunstspiertje gebouwd; miljoenen motortjes die samenwerken konden een stukje papier oppakken.

Het lijkt wel alsof door nieuwsgierigheid gedreven en toegepast onderzoek elkaar daarbij afwisselen.

Als je eenmaal iets ontdekt hebt ga je natuurlijk wel nadenken over de mogelijkheden ervan. We zijn allang niet meer bezig met die informatieopslag, maar we werken nu wel aan het inbouwen van die schakelingen in geneesmiddelen. Je voelt hem al aankomen: je hebt een infectie in je borst en je krijgt antibiotica die je aan en uit kunt zetten. Je zet het geneesmiddel aan op het juiste moment en op de plek waar de infectie zit, en na 24 uur schakelt het weer uit. We hopen dat we daarmee veel selectievere therapie kunnen verkrijgen, en de antibioticaresistentie vermindert. Het kan misschien ook helpen om chemotherapie veel nauwkeuriger toe te passen. Maar goed, hoe vaak doe je nou echt zo’n ontdekking? Dat is niet zo vaak. Dat is puur toeval. Daarna openen zich heel veel nieuwe mogelijkheden.

Maar die geneesmiddelen zijn nog toekomstmuziek. Heb je ook een voorbeeld van zo’n ontdekking dat al wel tot een toepassing geleid heeft?

Een ouder voorbeeld gaat over die fysici en chemici die eind veertiger en begin vijftiger jaren bezig waren met transistors en display materialen. Moleculen in een LCD display organiseren zich als drijvende boomstammen in rivieren, en als die van stand veranderen krijg je kleurtjes. Dat was heel fundamenteel onderzoek: hoe kun je elektrische ladingen een kant op sturen en hoe kun je van moleculen kleurenpixels maken? Niemand wist natuurlijk dat we daar ooit laptops en schermen mee gingen bouwen. Het woord mobieltje bestond nog niet eens. We vergeten wel eens dat de smartphone pas elf jaar geleden in Nederland werd geïntroduceerd. Nu kunnen we de wereld niet meer voorstellen zonder. Dus we kunnen wel fantaseren wat er over 50 jaar met ons onderzoek wordt gedaan, maar daar kunnen we ons nu moeilijk een voorstelling van maken. Maar ik kan wel voorspellen, als je iets kunt laten bewegen in plaats van alleen maar stilstaan dan openen zich nieuwe mogelijkheden. Misschien niet met het molecuul dat ík bedacht heb, maar het principe bestaat nu wel.

Wat heeft de Nobelprijs betekend voor je persoonlijke positie?

“Het is ten eerste een enorme eer. Het is een jongens- of meisjesdroom als je als prille wetenschapper begint. Je kijkt dan tegen al die helden aan – de Johan Cruijffs en Messi’s van de wetenschap. Dan voel je je heel klein en nietig en dan weet je ook dat je maar een klein deel bent van het hele gebeuren dat wetenschap heet. Je realiseert je ook wel dat er velen anderen in de wereld in aanmerking komen. Maar het is fantastisch, een droom. Wat er daarna gebeurt is dat je een beetje een publiek figuur wordt. Je krijgt uitnodigingen van overal vandaan, een stortvloed aan vragen en dingen waar je bij betrokken wordt. Ik moet gewoon heel vaak nee zeggen en mensen teleurstellen. Het is wel heel erg leuk en ik geniet er ook wel van hoor. Maar ik moet wel keuzes maken. Ik geef nog steeds college, wel iets minder dan vroeger, en ik doe gewoon onderzoek. Wetenschap is ook prachtig en het opleiding van jonge mensen is ook fantastisch. Maar na de prijs heb ik wel besloten om naar scholen en evenementen te gaan om het belang van wetenschap en onderwijs uit te dragen, en ik doe dat regelmatig. Ik reis de wereld af en dat kost natuurlijk tijd, maar ik vind het ook leuk om te doen en het geeft veel voldoening. Ik denk dat het ook heel hard nodig is om duidelijk te maken dat we met onkunde en onwetendheid niet verder komen. Wij moeten vooruit kijken: wat heeft inzicht en kennis ons te bieden, en hoe kunnen we onze jonge mensen goed opleiden voor de toekomst?

Je wordt dus overal uitgenodigd, waar dan over allerlei zaken jouw mening wordt gevraagd. Voelt dat als een extra verantwoordelijkheid?

Ik hoef niet op de voorgrond te treden. En ik heb ook niet overal een mening over. Een privé mening misschien, maar die is niet meer waard dan die van iemand die je in de kroeg treft. Ik ben bèta wetenschapper en ik denk dat ik wel een redelijke kennis heb van scheikunde. Maar je moet ontzettend oppassen dat je dan niet ineens denkt dat je overal wat vanaf weet. Ik weet van de meeste dingen niet meer dan iemand anders. Misschien iets meer van geschiedenis omdat dat dan mijn hobby is en ik tuinier graag en ik kom van de boerderij dus ik weet ook wel iets van de landbouw. Mijn echtgenote zei eens tegen een journalist: “Nou, ik geloof dat hij van scheikunde wel heel veel weet”. Dat vond ik wel een mooie samenvatting, het relativeert behoorlijk. Bescheidenheid is dus op zijn plek. Ik kan de wetenschap uitdragen en zeggen waarom onderwijs belangrijk is en dat we naar de toekomst moeten kijken. Maar je moet je geen dingen aanmatigen waar je geen kaas van gegeten hebt. Dan zou je je er eerst in moeten verdiepen, dus daar is mijn mening niet van meerwaarde. Ik heb de laatste dertig jaar ook alleen maar geleerd om méér bescheiden te worden. Dat komt omdat mijn bewondering voor hoe moeder natuur in elkaar steekt alleen maar groter is geworden, en door wat we allemaal nog niet weten: ieder nieuw inzicht levert weer tien nieuwe vragen op.

Nu is wetenschap een teamsport, en toch is die Nobelprijs heel erg op individuen gericht. Wat vind je daarvan?

Die prijs krijg je omdat jij degene bent die belangrijke nieuwe doorbraken gerealiseerd heeft. In ons vakgebied doe je dat natuurlijk niet in isolement. Ik ben degene geweest die het team aan heeft gestuurd, en heb belangrijke ideeën gegenereerd die misschien tot doorbraken leiden. Dat dat soms toevallige doorbraken zijn doet daar niet veel aan af. Vaak is het vrij goed te identificeren wie het uiteindelijke idee had, of wie er uiteindelijk voor heeft gezorgd dat de doorbraak gerealiseerd werd. Dit is denk ik zoals wetenschap werkt, al hangt het natuurlijk af van het vakgebied. Maar er zijn ook al wel teamprijzen in de techniek bijvoorbeeld.

Hoe doet Nederland het eigenlijk op prijzengebied?

In Nederland is het aantal prijzen voor wetenschappers dun gezaaid. Met name in Amerika, maar ook in Engeland, is het veel duidelijker dat ze proberen die jonge mensen te stimuleren. Als je het goed doet in de eerste jaren van je carrière zijn daar zoveel prijzen, ze zijn daar helemaal op ingesteld. Je krijgt snel een award of erkenning. In Nederland zijn we daar wat meer bescheiden in, hoewel dat de laatste tijd wel wat aan het veranderen is. Er zijn wel wat prijzen bijgekomen voor jongeren, maar het zou goed zijn als dat in Nederland nog wat meer aantrekt.

Hoe zouden we dat het beste aan kunnen pakken?

In Amerika zie je allerlei manieren om mensen erkenning te geven. Daar heb je heel veel ouderen, die hun roots hebben in de universiteit maar die nu ondernemer en vermogend zijn. Die starten gewoon een prijs, met een idee dat bijvoorbeeld de beste studenten van hun universiteit mee kunnen dingen. Dan verbinden ze wel hun naam eraan maar dat is prima. Daarmee geef je wel een stimulans aan die studenten. Het is jammer dat in dit land niet iets meer mensen die toch wel veel geld hebben een prijs geven aan talenten. Soms zie ik Amerikanen en Nederlanders die even oud zijn, en die Amerikanen hebben dan al vijf prijzen en de Nederlanders nul. Terwijl de Nederlander misschien wel een veel betere wetenschapper is. Dan denk ik wel: Kom op Nederland, wij hebben ook veel geld! Er zijn wel cultuurprijzen, maar er zou iets meer moeten komen voor wetenschappers. Start maar een fonds en geef een prijs voor jong talent. Dat zou een enorme stimulans zijn.

Zegt de bescheiden, nuchtere Groninger nu eigenlijk dat we wat meer moeten vieren in de wetenschap?

Ik ben blij met prijzen als de Ammodo Science Award of de Spinozapremie. We mogen in Nederland wel iets meer cachet geven aan de wetenschap. Want dat is ook belangrijk: die rol van de wetenschap in het land. Als je kijkt naar de wereld van literatuur, tv of cultuur, daar wordt elk dingetje breed uitgemeten en geprezen. Nou, wanneer is er eens een gala voor de wetenschap? Er is niet zoveel. Ik denk dat wetenschappers – als je dat vergelijkt met topsporters, want dit is gewoon topsport – wel wat meer erkenning mogen krijgen. Dit zijn ook onze helden. Denk daarbij ook aan de voorbeeldfunctie die het heeft voor onze jonge talenten. Een jongen of meisje hoeft in Nederland niet per se televisiester of topsporter te worden om mooi voor de dag te komen. Je kunt dat ook bereiken door je hersenen te gebruiken en door creatief te zijn. Dat is toch fantastisch!

Wanneer ben je zelf eigenlijk je hart verloren aan de wetenschap?

Ik heb hier in Groningen gestudeerd, en mijn promotieonderzoek gedaan, bij de groep van Hans Wijnberg. Wijnberg heeft mij heel erg gestimuleerd om aan moeilijke dingen te werken. Ik weet nog dat ik als student in het lab een molecuul maakte. Daarna kwam ik bij Wijnberg de kamer binnen en toen zei hij: “Oh, dit molecuul heeft nog nooit iemand gemaakt, ook in Amerika niet.” Nou, toen kreeg ik zo’n kick! Dat was zo mooi, alsof je je eerste muziekstuk gecomponeerd hebt. Heel dat molecuul was natuurlijk totaal nutteloos, maar dat gaf niet. Het was die kíck van het zelf ontdekken. Dat idee van iets onverwachts, iets spannends, ook al is het nog zo klein. Stel je voor, je bent een jong voetballertje en je maakt je eerste goal. Dat smaakt naar meer! Dan denk je: Zou ik ooit bij Ajax kunnen spelen? Je begrijpt dan het gevoel van spanning en sensatie. Maar ook het doorzettingsvermogen, je loopt namelijk enorm vaak tegen een muur. Het is ontzettend spannend om dingen uit te zoeken, en je voelt je soms ook echt een peuter om al die dingen te ontdekken. Maar je moet goed tegen frustraties en onzekerheid kunnen. Als je een baan wilt met heel veel zekerheid dan moet je geen onderzoeker worden.