Sofia Hernández Chong Cuy

over migratie en het verbinden van mensen

Sofia Hernández Chong Cuy

Sofía Hernández Chong Cuy (Mexico, 1975) is sinds januari 2018 directeur van Witte de With Centrum voor Hedendaagse Kunst in Rotterdam. Daarvoor was zij curator hedendaagse kunst bij de Coleccíon Patricia Phelps de Cisneros in New York en Caracas, waar zij zich richtte op tentoonstellingen met werk van Latijns-Amerikaanse kunstenaars.

Alweer ruim een jaar geleden startte je als directeur bij Witte de With. Wat ben je in dat jaar tegengekomen?

Het was een intensief jaar en die intensiteit heeft met een aantal dingen te maken. Het aannemen van de baan betekende dat ik naar een nieuw continent en een nieuw land moest verhuizen. Ik kreeg te maken met grote cultuurverschillen en werd uitgedaagd om naast het opzetten van een nieuw leven hier na te denken over praktische vragen als ‘hoe regel je je administratie’, ‘hoe ontwikkel je projecten’ en ‘hoe leid je brainstormsessies’. Van dat laatste ben ik overigens groot fan. Hier is alles meer gestructureerd en wordt gezocht naar een consensus. De cultuur in New York, waar ik lang deel van uitmaakte, verschilt erg van de cultuur hier.

Waar zitten die verschillen met name in?

In New York is de concurrentie heel groot. Hier voeren andere waarden zoals gelijkheid de boventoon. Concurrentie wordt hier enerzijds met achterdocht bekeken en anderzijds wordt het onder ondernemers gewaardeerd. Het ondernemerschap in Rotterdam moet je alleen in een andere context plaatsen dan het ondernemerschap in New York. Er zijn hier veel autonome, zelf geïnitieerde projecten, die je ook in New York ziet, maar hier hebben ze een andere vorm. Je definieert de Nederlandse initiatieven daarom op een andere manier.

Kon je je ervaring in New York vertalen naar Rotterdam?

Rotterdam lijkt in bepaalde opzichten erg op New York. Rotterdam is bijvoorbeeld ook heel divers. Mensen zijn hier zelfbewust en ondernemend. Je ziet een zakelijk ondernemerschap. In New York zijn mensen meer bezig met het opzetten van initiatieven in een bredere zin. Het kostte me tijd om de verschillen te leren begrijpen.

Hoe heb je dat aangepakt?

Ik ben op onderzoek gegaan door het hele land en heb veel musea, kunstinstellingen en kunstenaars bezocht. Maar ik wil nog meer zien. Ik ben bijvoorbeeld nog niet in Tilburg geweest, dat staat bovenaan mijn lijst. Wel ben ik meerdere keren in Eindhoven geweest. Ik houd het programma van het Van Abbemuseum nauwlettend in de gaten. Ook zou ik graag wat vrije tijd in Nederland door willen brengen, bijvoorbeeld op Texel.

Kwam je kunstinstellingen tegen die je inspireerden?

Het Van Abbemuseum is absoluut een van hen. Ik volg hen al lang en heb veel respect voor wat zij neerzetten. De kwaliteit van hun tentoonstellingen is hoog en er is een hoge conceptuele complexiteit. Het valt me ook op dat het daar altijd druk is. Het bewijst maar weer dat het een mythe is dat het publiek wegblijft als je uitdagend en conceptueel programmeert. Wat ik ook goed vind is het project Ferrotopia van Atelier van Lieshout in Amsterdam-Noord en de programmering van Framer Framed. Zij hebben interessante activiteiten die echt nodig zijn in de stad.  Ik houd ook van Casco in Utrecht. Zij zijn erg onconventioneel en eveneens onmisbaar. Niemand doet wat zij doen. En dan heb je nog de Jan van Eyck academie. Ik ben daar nu een aantal keer geweest en de energie en de ruimtes daar zijn fantastisch. We werkten afgelopen zomer ook samen aan een publicatie. Het onderzoek en de workshops deden we in Maastricht en de publicatie lanceerden we hier, met uiteraard aansluitend een feestje bij mij thuis. Die samenwerking was echt een highlight van het afgelopen jaar. Ik bezocht in het najaar ook de open studio’s bij de Rijksakademie. Na de opening ging ik terug op een zaterdag en het was afgeladen vol, erg indrukwekkend. Iedere ruimte was geënsceneerd en kon je bekijken als een aparte solotentoonstelling. Dat was goed georganiseerd en ze adverteerden door de hele stad. Heel inspirerend!

Denk je ook aan een samenwerking met de Rijksakademie?

Beide directeuren, Emily Pethick van de Rijksakademie en Hicham Khalidi van Jan van Eyck, zijn nieuw. Het is een gek idee, maar ik zit er het langst van ons drieën. Ik heb ze beide in Rotterdam uitgenodigd voor een lunch. We werken alle drie met internationale hedendaagse kunstenaars. Er kwamen veel ideeën naar voren, maar we hebben nog niets vastgesteld. Het idee is  om regelmatig in Rotterdam,  Amsterdam of  Maastricht af te spreken en verder te praten.

Zijn er in het afgelopen jaar nog meer samenwerkingen of initiatieven geweest?

Ik heb veel informele bijeenkomsten en diners bij mij thuis georganiseerd voor mensen uit de kunstwereld zoals kunstenaars en curatoren. Dat doe ik nu nog steeds, alhoewel ik niet altijd zelf meer kook. Wel zorg ik altijd voor een gastenlijst die divers genoeg is, zodat de avond betekenisvol is. Voor iedere genodigde is er een goede reden om er te zijn. Ik breng graag mensen samen en houd erg van zulk soort avonden.

Heb je een bepaalde missie met deze avonden? Of gaat het om het samenbrengen van mensen?

Ik heb veel van zulk soort avonden georganiseerd in New York. Mijn ervaring is dat deze activiteiten mensen de kans geven elkaar te ontmoeten. Als ze elkaar eenmaal ontmoet hebben, komen daar vaak samenwerkingen uit voort. Het gaat dus niet zozeer om het samenbrengen van mensen, maar meer om het aanmoedigen van nieuwe samenwerkingen. Nieuwe samenwerkingen brengen nieuwe ideeën met zich mee, die breed gedragen kunnen worden en een nieuwe gemeenschap kunnen vormen. Naast het publieke programma en educatieve activiteiten vind ik het belangrijk om ruimte te creëren voor informele en lange termijn uitwisselingen die op een organische manier tot stand komen. De beste projecten komen voort uit toevallige ontmoetingen en gesprekken die eerder associatief zijn dan geregisseerd. Ik vind het daarom heel belangrijk dat als mensen uit het buitenland komen, zij mensen hier ontmoeten en andersom. Dat is een belangrijk onderdeel van onze culturele uitwisseling. Ik beschouw dat als onze taak.

Welke uitwisselingen heb je hier georganiseerd?

Toen Federico Herrero, een kunstenaar uit Costa Rica, naar Rotterdam kwam, wilde hij graag een rondgang maken langs de plekken die door kunstenaars gerund worden. Er zijn er daar heel veel van in Rotterdam. We organiseerden zo’n rondgang met aansluitend een lunch bij Witte de With. Ze wisselden ideeën uit over dingen zoals het maken van programma’s, het werven van fondsen en het inzetten van marketingstrategieën. Deze manier van netwerken bleek heel lucratief en daarom organiseerden we een soortgelijk event toen Mauricio Marcín uit Mexico-Stad hierheen kwam. Marcín richt zich hoofdzakelijk op kunstenaarspublicaties, dus dat was ook onze focus tijdens zijn rondgang door de stad. Het bleek dat een aantal mensen uit die wereld elkaar nog niet eerder ontmoet hadden, of nog niet van elkaars naam gehoord hadden. De rondgangen en lunches zorgen dus in zekere zin voor het creëren van een gemeenschap.

Naast groepstentoonstellingen op de derde verdieping en een educatieve ruimte op de begane grond ben je gestart met het presenteren van solotentoonstellingen op de tweede verdieping. Je hoofddoel met deze solotentoonstellingen is het bieden van een podium aan niet-Europese kunstenaars. Is er een speciale focus op Latijns-Amerikaanse kunstenaars binnen deze programmering?

Een groot deel van de kunstenaars die ik presenteer komen uit Latijns-Amerika omdat ik daar in het verleden veel mee heb gewerkt, maar mijn focus hier is breder dan dat. In de vroege jaren ’90 zag je eigenlijk hetzelfde gebeuren toen Chris Dercon als directeur aantrad bij Witte de With. Hij had ook veel te maken gehad met Latijns Amerikaanse kunstenaars bij MoMA PS1 in New York en nam dat mee. Dat is een interessant gegeven. Nu, in 2019, werken we met kunstenaars van over de hele wereld.

Lawrence Abu Hamdan bijvoorbeeld komt uit Beirut, Firelei Báez komt uit de Dominicaanse Republiek en woont in New York City. Melike Lara, een jonge kunstenaar uit Duitsland, verkent in haar werk haar Koerdische afkomst. Mariana Castillo Deball is Mexicaans en Rossella Biscotti Italiaans. Voor de solotentoonstellingen werken we ook samen met Michael Stevenson. Hij woont in Berlijn, maar komt oorspronkelijk uit Nieuw-Zeeland. En we werken niet alleen met internationale kunstenaars maar zoeken ook naar internationale samenwerkingen. Een optie zou een samenwerking met het KW Institute for Contemporary Art in Berlijn zijn.

Is er eenzelfde focus voor de groepstentoonstellingen?

Ja, die hebben ook een sterke Latijns Amerikaanse insteek. Laatst gaf ik een lezing in Brussel met de directeur van Lafayette Anticipations en de directeur van Wiels. Na afloop kwam er iemand naar me toe uit het publiek die vroeg waar ik vandaan kwam. Ik zei ‘uit Mexico, waarom vraag je dat?’ Ze dacht dat ik uit het Midden-Oosten kwam omdat er zoveel Arabische kunstenaars in de groepstentoonstelling in Witte de With vertegenwoordigd waren. Het is dus maar net wat je gezichtspunt is. Carlos Motta bijvoorbeeld, is Colombiaans, maar ontwikkelde zijn werk voor een groot deel in Beirut. Mijn doel was niet om een tentoonstelling over Arabische kunst te maken, maar om kunstenaars samen te brengen die een gedeelde interesse hebben. Het gaat om een heersende mondiale interesse, die op dit moment in de beeldende kunstwereld leeft.

Welke actuele thematieken spelen er op dit moment een belangrijke rol?

De belangrijkste thematieken zijn reizen en politieke verplaatsing. De eerste groepstentoonstelling die ik organiseerde ging bijvoorbeeld over kunstenaars die door de Amazone hadden gereisd en werken maakten die zij baseerden op hun veldonderzoek. Daaropvolgend maakten we een groepstentoonstelling over correspondentie en briefuitwisselingen. Die uitwisselingen zouden niet plaatsvinden als mensen niet fysiek van elkaar verwijderd waren. Er moet gereisd worden om weer samen te komen en in de tussentijd of daarna wordt correspondentie als middel ingezet om de afstand te verkleinen. In de tentoonstelling wordt uitgelegd dat briefwisselingen in de 17de eeuw in opkomst kwamen en ongekend populair waren. Dit werd mede veroorzaakt door de bloeiende wereldhandel. Men reisde veel en ver. Er waren ontelbaar veel expedities, nieuwe mensen en nieuwe culturen die elkaar ontmoeten. Dit is nauw gelinkt aan globalisering. Globalisering gaat over verplaatsing en verbinding. Nieuwe ontmoetingen en interpretaties staan centraal. In de Amazone tentoonstelling ging het ook over nieuwe interpretaties van het landschap. Dat was niet direct zichtbaar, maar wel voelbaar. De groepstentoonstelling die nu te zien is, heeft weer een andere insteek. Ik heb dat bewust zo gekozen, want ik wil niet suggereren dat we een bepaald type tentoonstellingen maken. Ik wil laten zien dat je op een dynamische manier met hedendaagse kunst kunt omgaan. De huidige groepstentoonstelling gaat over ‘dropping out’: kunstenaars die ervoor hebben gekozen om uit de stedelijke omgeving te stappen en de kunstwereld en hun sociale leven daar achter zich te laten. We hebben een selectie van kunstenaars gemaakt die naar de woestijn zijn getrokken. Een lege plek, waar alle ruimte is voor nieuwe mogelijkheden. Hierna wil ik me richten op ‘forest immigration’, de immigratie van zuid naar noord, richting de bossen.

Komen deze thematieken ook in de solotentoonstellingen naar voren?

Bij de solotentoonstellingen richt ik me op kunstenaars die op onderzoek gebaseerde werken maken. Kunstenaars die de diepte ingaan op een methodische manier. We hebben bijvoorbeeld Ana María Millán uitgenodigd, die onderzoek deed naar de cultuur rondom animatie en video games. Ana heeft zich ondergedompeld in die wereld, om het zich helemaal eigen te kunnen maken. Vandaaruit heeft ze haar werk gemaakt. Irene Kopelman is ook een voorbeeld van een kunstenaar die zich in een nieuwe wereld begeeft en daar zelf onderdeel van uit gaat maken. Zij heeft zich meer in een wetenschappelijke hoek begeven en heeft onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de schilderijen van landschappen en de kleuren die hiervoor gebruikt werden. Deze methoden heeft ze ook toegepast op haar eigen kleurgebruik bij het maken van landschappen.

Wat belangrijk is, is dat veel tentoonstellingen met werken van kunstenaars die gebaseerd zijn op onderzoek, heel documentair en droog overkomen. Ik probeer dat te vermijden en zoek naar het stadium waarin de kunstenaar het onderzoek heeft omgevormd naar een zinnenprikkelende ervaring. Pamela Rosenkranz kan bijvoorbeeld een academische lezing geven omdat ze diepgravend onderzoek heeft gedaan, maar het werk is daar los van gekomen. Het belichaamt haar onderzoek maar gaat ook een relatie aan met de ruimte. Hierdoor kan het publiek de kennis ook op een andere manier ervaren.

Het is opvallend dat je alleen vrouwelijke kunstenaars als voorbeelden noemt. Is dat ook een thematiek?

Afgelopen jaar heb ik enkel vrouwelijke kunstenaars getoond. Dit jaar zijn zij ook in de meerderheid. Ik wil niet zeggen dat het een thematiek is, maar het is wel een bewuste keuze om vrouwelijke kunstenaars te ondersteunen.

Is er nog nieuws over de naamgeving van Witte de With?

Momenteel zijn we bezig met het onderzoeken van de situatie. We hebben het onderzoek opgedeeld in verschillende stadia. We zijn gestart met maken van tijdlijnen om in kaart te brengen wie Witte de With was. De discussies die ontstonden over dekolonisering hebben we hierbij meegenomen. We hebben een groep van negen jongeren uit Rotterdam bijeengebracht. Deze groep volgt een fellowship dat we in 2018 hebben ontwikkeld. Het is bedoeld voor jongeren tussen de 18 en 24 jaar met verschillende culturele achtergronden. Zo studeren er twee industrieel ontwerp en een derde komt uit de muziekwereld. Ze komen op vrijdagen en zaterdagen samen in de tentoonstellingsruimte op de begane grond en worden begeleid door Jessy Koeiman, onze nieuwe curator voor collectief leren. Gedurende zes maanden volgden ze verschillende workshops over kunstgeschiedenis, presenteren, ondernemerschap en gastvrijheid. Ze zijn verantwoordelijk voor de programmering van deze ruimte. Recentelijk is ook de nieuwe naam die ze voor deze ruimte bedacht hebben onthuld: MELLY. De naam MELLY werd geïnspireerd door het kunstwerk Melly Shum Hates Her Job van kunstenaar Ken Lum, een affiche in opdracht van Witte de With dat sinds 1990 te zien is op de gevel van het gebouw. Hoewel MELLY de naam Witte de With niet vervangt, was het proces om de tentoonstellingsruimte op de begane grond een naam te geven inspirerend voor het lopende onderzoek naar de naam van ons instituut.

Is er een tentoonstelling die je in het bijzonder kunt aanraden om naartoe te gaan?

Dat is het retrospectief van Cecilia Vicuña dat op 26 mei opent in Witte de With en hoogstwaarschijnlijk ook naar het buitenland door zal reizen. En de groepstentoonstelling in 2020 over de immigratie van zuid naar noord. Voor die tentoonstelling wil ik onderzoek doen in Indonesië, de Filipijnen, Suriname en een aantal landen in Afrika. Ik denk dat het een belangrijke tentoonstelling zal worden voor kunstenaars hier en in Europa, die de druk van immigratie ervaren. Tegelijkertijd valt deze tentoonstelling samen met het 30-jarige bestaan van Witte de With en vormt het een markeringspunt voor mijn 3-jarig directeurschap, dat hopelijk dan nog met drie jaar verlengd wordt.

Is er iets wat je in deze drie jaar bereikt wilt hebben?

Absoluut. Ik wil een nieuw, inclusiever publiek bereiken en de internationale aandacht vergroten en vasthouden. Mijn missie is om het instituut verder open te breken, ook lokaal. Ik wil veel activiteiten ontwikkelen om een nieuw publiek te betrekken. Daarbij horen ook basismiddelen als adverteren, echt in de stad aanwezig zijn. En ik wil een programma opzetten om particuliere donaties en lidmaatschappen van Witte de With mogelijk te maken. Ook hiervoor is het nauw betrekken van het publiek bij onze activiteiten heel belangrijk. Ik wil er voor iedereen zijn die nieuwsgierig en geïnteresseerd is in ons. Het gaat om het samenzijn, om het geven van ruimte aan gesprekken en nieuwe ervaringen. Dit helpt het instituut om autonoom te blijven. Artistieke autonomie is noodzakelijk om vrij te kunnen blijven denken.

 

Foto’s: Florian Braakman