Pierre Audi

over heden, verleden en toekomst van muziektheater en opera

Pierre Audi (Beiroet 1957) was in 1979 oprichter van het
Londense Almeida Theatre. In 1988 werd hij directeur van De Nederlandse Opera waar hij talloze succesproducties regisseerde en nieuw werk initieerde. Van 2005 tot 2014 was Audi artistiek directeur van het Holland Festival. Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van De Nationale Opera richtte hij in 2015 het Opera Forward Festival op. In september 2018 neemt Audi na 30 jaar afscheid als directeur. Wel regisseert hij nog twee producties waaronder het Stockhausen project aus LICHT (Holland Festival 2019). Audi is artistiek directeur van The Park Avenue Armory in New York en het festival van Aix-en-Provence.

Is het hectisch bij De Nationale Opera, nu uw
afscheid nadert?

Dat valt mee, het is vooral emotioneel na 30 jaar. Het zal vreemd zijn om voor De Nationale Opera te werken zonder dat ik de directeur ben maar als regisseur werk ik nog aan twee grote projecten dit seizoen. Zojuist had ik György Kurtág aan de telefoon. Hij is 92 en heeft in de afgelopen acht jaar een opera geschreven, Fin de Partie. Een coproductie met La Scala die in november in Milaan in première gaat en in maart te zien is op het Opera Forward Festival. Daarnaast werk ik aan aus LICHT, het project rondom Stockhausen dat in 2019 op het Holland Festival staat.

In uw biografie las ik dat u als jongen in Libanon al kennismaakte met het werk van Stockhausen. Wat herinnert u zich daarvan?

Het was een concert in de grot van Jeita. Het publiek zat in een lange rij, die grot is vele honderden meters lang, met in het midden een platform waarop Stockhausen zat met zijn instrumentarium. De muziek was in de hele grot te horen. De combinatie van electronische muziek en natuur was heel bijzonder. De essentie van zijn filosofie is het tot stand brengen van een spirituele verbinding, een connectie tussen hemel en aarde. Hij heeft een systeem ontwikkeld waarin de muziek een duidelijke rol heeft, een vorm van communicatie. Dat is uniek. Niet veel componisten zijn op deze manier bezig met hun intentie en met het publiek. Maar Stockhausen is, net als Wagner, een componist die door de muziek spreekt met een boodschap, het is een instrument om iets groters te bereiken.

Waarom, denkt u, is dit het juiste moment voor aus LICHT?

Het is moeilijke muziek, een constructie met een specifieke sfeer en het kost veel tijd om dat muzikaal neer te zetten. Het is geen kwartet van Schubert. We spelen grote fragmenten uit de gehele operacyclus LICHT, verspreid over drie dagen. Dat vraagt veel concentratie en repetities. Het plan is ontwikkeld samen met het Holland Festival, die een traditie heeft in het presenteren van werk van Stockhausen, en het Koninklijk Conservatorium Den Haag. Studenten repeteren al drie jaar aan deze stukken. Het vergt dus een grote inspanning van alle betrokken instituten.

Ik doelde ook op de spirituele verbinding die Stockhausen zocht, die u beschreef.

Dat is een open boodschap die individueel geïnterpreteerd moet worden. Niet iets dat door de regisseur kan worden bepaald. Het is niet zo dat we een kerk bouwen om een religieuze boodschap over te brengen. Het werk gaat ook niet simpelweg over goed en kwaad. Stockhausen zag onze wereld als een complexe metafoor. Ik denk dat hij een rol zag voor de kunst in de moeilijkheden en continue conflicten waarmee we worden geconfronteerd. LICHT brengt ook poëzie en reflectie. Ik denk dat dat het idee is. En zijn electronische muziek is van groot belang. Hij blijft een pionier op dat gebied.

Aus LICHT wordt geen enscenering maar een “mise-en-espace”. Wat kunnen we ons daarbij voorstellen?

Een mise-en espace is een vorm van moderniseren waarbij de essentie van Stockhausens intentie behouden blijft. Het wordt een presentatie met een theatrale kracht die niet vanuit een kritische visie of methode wordt uitgevoerd. Het is dus geen interpretatie, zoals bij een nieuwe productie van Wagner of Mozart. De visie van Stockhausen is complex dus proberen we een simpele maar mooie vorm aan die stukken te geven. Het is een interessant experiment dat wordt uitgevoerd in de Gashouder. Die ruimte past heel goed bij de muziek.

U noemde al het Opera Forward Festival,
beschouwt u dat als een laboratorium voor de opera?

Het idee van het OFF is ontstaan door mijn ervaring met de synergie tussen Holland Festival en De Nationale Opera. Voor mij is het woord risico belangrijk. Mensen moeten risico’s nemen om nieuw werk te creëren en het publiek moet risico’s nemen om naar onbekend werk te gaan. Dat is noodzakelijk. En een festival zonder risico is geen festival. Het is ook een platform dat jonge zangers, componisten en regisseurs de kans biedt om experimenten uit te voeren die binnen het reguliere operaseizoen moeilijker te realiseren zijn. Maar wel passen binnen het kader van de activiteiten van het nationale instituut, dat Nationale Opera & Ballet is. Het is een mooie manier om onze expertise en kennis te delen met een jongere generatie. Dat is belangrijk voor mij.

Kunt u een voorbeeld geven van een project dat zonder het festival niet snel zou zijn gerealiseerd?

De studentopera’s die Anthony Heidweiller heeft ontwikkeld, dat is een uniek project. Ik heb veel interessante kleine opera’s gezien. Het is boeiend hoe ze denken over vorm, ik vind dat van groot belang. En er wordt een range van nieuwe mogelijkheden verkend en opdrachten verstrekt aan internationale en Nederlandse componisten. Blank Out van Michel van der Aa is een mooi voorbeeld van een zeer succesvolle opera die vanuit Amsterdam de hele wereld over is gegaan. Maar ook een experiment als de Medusa van Henze, een oratorium geënsceneerd door Romeo Castellucci en gedirigeerd door Metzmacher. Een interessant voorbeeld van zeer actueel muziektheater. Het werk is 50 jaar oud maar het probleem is van nu. Dat past heel goed in een festival. Ik denk dat dat ook de functie is van het OFF: de verbinding met de actualiteit en de realiteit. De eerste jaren zijn vrij instinctief vormgegeven maar de basis ligt er. Nu is de tijd gekomen voor mijn opvolger om er een definitieve vorm voor te vinden.

Herkent u in de nieuwe generatie iets van uzelf in uw beginjaren?

Toen ik bij De Nationale Opera begon was ik 30. Ik was dus jonger dan sommige van de “nieuwe talenten” van nu. Maar er was geen mobiele telefoon, geen internet en niemand merkte dat ik 30 jaar was. Nu zou iedereen schrikken. Dat is een andere manier om te zeggen dat de tijden zijn veranderd. Mensen denken nu dat leeftijd belangrijk is. De nieuwe generatie is bewuster bezig met de relevantie van opera en met de actualiteit. Ik was daar minder op gefocust. Relevantie was belangrijk maar het accent lag ergens anders. De jongere generatie… dat is een mix. Sommigen willen een carrière in opera, anderen hebben een visie en vinden muziektheater het juiste medium om die te realiseren.

Toen u het Almeida in London begon, was u toen een man met een missie?

Ja, het was een nieuw theater dat tot doel had een nieuwe invulling te geven aan de relatief conservatieve theater- en kunstscene in Londen. Meer internationalisering en diversiteit was een belangrijke drijfveer voor het Almeida. Dat gold in de jaren tachtig maar het is nu nog belangrijker. Er waren weinig middelen maar we brachten dans en muziek zonder decor. Stockhausen is de enige reus van de moderne muziek die niet naar het Almeida kwam, hij was te duur. Maar de filosofie bleef en heb ik ook gebruikt in mijn tijd in Amsterdam. Ik ben iemand die werkt door te luisteren, voelen en mijn instinct te gebruiken. Ik heb interesse in beweging en verandering, niet alleen in de kwaliteit van de ingrediënten. Dat zie je ook terug in mijn 30 jaren bij de opera.

Theatervernieuwers als Brook, Artaud en Grotowski zijn belangrijk geweest voor uw vorming. In het verleden heeft u ook toneel geregisseerd. Heeft u nog plannen in die richting?

Ik heb met groot plezier en enthousiasme toneel geënsceneerd maar dat was een specifieke periode in mijn leven die nu voorbij is. Met het oog op de toekomst blijven opera en muziektheater voor mij belangrijk. Wel programmeer ik veel theater bij de Armory in New York, waar ik artistiek directeur ben. Hoewel New York een relatief conservatieve context biedt, is het een platform om cutting edge theater te presenteren. Omdat het Engelstalig is, is de principiële bron voor programmering Engeland maar ik kijk ook naar Nederland en Japan. We hebben net een grote productie van de Comédie Francaise gedaan, Les Damnés in regie van Ivo van Hove. Mijn passie voor theater blijft maar is nu indirect. Zelf ga ik meer in de richting van samenwerkingen met de beeldende kunsten. Dat is voor mij ook een belangrijke dimensie, die nieuwe mogelijkheden kan openen in de uitvoering van muziektheater. Ik heb daarin een lange geschiedenis. Ik denk dat er meer te doen is met de uitvoering van muziektheater in andere ruimtes dan het theater, in samenwerking met beeldend kunstenaars. Misschien is dat een ontwikkeling van de toekomst.

Over de toekomst gesproken, u gaat naar het festival van Aix-en-Provence. Kunt u daarover al iets vertellen?

Ik probeer vanuit mijn instinct een nieuwe logica te vinden. Dat is praktisch werk. Het is een kwestie van tijd, openheid, luisteren. Het is nog iets te vroeg om te zeggen wat er gaat gebeuren met de programmering, behalve dat ik wil werken met kunstenaars die ik ken en die ik niet ken, dat moderne muziek belangrijk is, dat er een component van educatie moet zijn en dat de verbinding met de Mediterranee belangrijk is. Ontwikkeling is belangrijk maar ook het behouden van de internationale prestigieuze reputatie, door belangrijke dirigenten en regisseurs uit te nodigen en coproducties te initiëren. Mijn rol is het festival een stap verder te brengen. Het is een intens festival van drie-en-een-halve week met vijf producties en concerten. Veel compacter dan een operaseizoen. Dus het is een nieuw ritme. We gebruiken twee theaters en een concertzaal in de zomer in een mooie historische stad. Het is aantrekkelijk voor mij om in die sfeer te werken. Dit is mijn vijfde festival dus ik heb natuurlijk ervaring. Ik heb zoveel gedaan in 30 jaar op het gebied van repertoire, experimenten, opdrachten, opbouw van het publiek, gebruik van de zaal, synergie met andere instellingen, orkesten en zalen en ik heb een belangrijke stap gerealiseerd met educatie en ontwikkeling en de zoektocht naar een nieuw publiek. Belangrijk was om te stoppen op het hoogtepunt en dat is ook gebeurd. Ik zoek geen ander operahuis. Ik heb het beste gehad met Amsterdam.

Heeft het Franse publiek een andere relatie met muziektheater dan het Nederlandse?

Ik denk dat de Fransen minder muzikaal zijn dan de Nederlanders en de Britten. Muziek is in de geschiedenis van Frankrijk altijd moeilijk geweest, componisten hadden altijd moeilijkheden met de staat, met de samenleving. Dus ik moet mijn eigen weg vinden. Ik kan niet iets doen vóór de Fransen maar alleen iets dat past bij mijn geloof in kunstenaars en repertoire. Dat is de enige weg.

Wat wenst u ons, het publiek en de makers, toe voor de komende jaren? Wat hebben we te veroveren, te verdedigen of misschien zelfs te verliezen?

De afgelopen jaren is het moeilijker geworden om publiek op een reguliere manier aan ons werk te verbinden. Dat geldt voor opera, theater, dans. Ik denk dat dit in de toekomst nog moeilijker gaat worden. Het grote gevaar is dat mensen dan gaan denken dat het repertoire makkelijker moet worden en dat we onze onconventionele, experimentele, cutting edge power verliezen. Ik hoop dat een methode wordt gevonden, waarbij dat toch behouden blijft. Progressief en inclusief én een magische formule om echt een groot publiek te vinden die het huidige kan vervangen en meer continuïteit zal brengen. Want dat is een grote uitdaging voor de toekomst, vooral voor de grote instituten. En dit is een wereldwijd probleem, geen Nederlands probleem. Educatie is een middel maar dat kost tijd. We moeten geduld hebben.

Wat denkt u, is de belangrijkste oorzaak van dit probleem?

Het internet is de grote reden. De concentratie en interesse van mensen verandert en wisselt zo snel dankzij een klein scherm, dat heeft de aantrekkelijkheid en het mysterie van een voorstelling gereduceerd. Ik denk dat dat jammer is. Ik kom van een generatie die heeft gevochten om grote werken te zien. Dat maakt het belangrijk, abonnementen voor de opera waren bijzonder. Ik stond soms een hele nacht in de rij om een uitverkochte voorstelling van een grote regisseur te zien. Dit is over. De jonge generatie doet dat niet meer. Ze zoeken op internet naar fragmenten en dat is genoeg. Maar uniek in ons métier is de live component. We moeten vechten voor de kwaliteit en de noodzaak van deze ervaring en wat het betekent. Dat is mijn zorg voor de toekomst.

 

Foto’s: Florian Braakman