Nienke Vijlbrief en Rob van de Werdt

over eigenheid en poëzie in hedendaagse beeldende kunst

Nienke Vijlbrief en Rob van de Werdt richtten in 2003 P/////AKT op, een initiatief voor hedendaagse kunst in Amsterdam. P/////AKT heeft een signalerende functie op het gebied van hedendaagse kunst en jong talent. Ieder jaar organiseren zij binnen hun hoofdprogrammering zes solotentoonstellingen. Hiernaast presenteert P/////AKT een programma dat P/////AKT POOL heet. Hiervoor worden ieder jaar twee kunstenaars die in het voorgaande jaar zijn afgestudeerd uitgenodigd. Zij krijgen ieder een half jaar de kleinere bovenruimte tot hun beschikking, waar ze opeenvolgend drie tentoonstellingen mogen maken.

Vanuit welke noodzaak hebben jullie P/////AKT opgericht? En hoe verhouden jullie je tot het (beeldende kunst) veld?

P/////AKT is opgericht vanuit de noodzaak van ‘ruimte’. Wij hadden allebei andere initiatieven die op dat moment dakloos waren. Nienke runde De Parel, een kunstinitiatief hier in Amsterdam, maar zij raakten hun locatie kwijt. Ik (Rob) had een kunstinstelling in Berlijn die ophield met bestaan, maar ik had een groep kunstenaars die wel iets nieuws wilden beginnen. Toen kwam ik Nienke tegen. Zij had een nieuwe locatie gevonden en wilde die niet in haar eentje runnen. We zijn allemaal bij elkaar gaan zitten en zijn gaan denken over wat we nodig vinden in Amsterdam en in het veld in het algemeen: wat is belangrijk, wat missen we, hoe zetten we een programma op dat een meerwaarde heeft ten opzichte van wat we al zien binnen de beeldende kunst, hoe kunnen we daar het beste een vorm voor vinden? Voor kunstenaars is het heel belangrijk dat ze de kans krijgen om hun eigen manier van beleven, ervaren, gedachten en intenties te vormen. Wij noemen dat het genereren van ruimte, tijd en middelen. Een kunstenaar moet vrij zijn in zijn denken en niet geconditioneerd zijn. Hij moet zich niet ergens in hoeven passen of zich tot de markt moeten verhouden. Nee, een kunstenaar moet zijn ding doen en als dat vervolgens in de markt past is dat prima. Niet andersom.

Jullie presenteren, net als in voorgaande jaren, een reeks solopresentaties gekoppeld aan een overkoepelend thema. Dit jaar is dat Extended Matter. Hoe zijn jullie tot deze thematiek gekomen en kunnen jullie uitleggen wat het inhoudt?

We hebben niet op voorhand een focus, maar werken met een longlist van kunstenaars die we volgen. Je hebt dat onderbuik gevoel van hier zit iets, je ziet kunstenaars bepaalde dingen doen en zich op bepaalde dingen richten. Dat is interessant. Wij pikken kunstenaars eruit, vormen een groep en benoemen een focus. Vervolgens krijgt dat handen en voeten door schrijvers uit te nodigen en mensen erop te laten reflecteren. Dat umfeld is een soort publieksprogramma om de dingen meer context te geven. Onze rol is het creëren van houvast aan de hand van een focus en die is poëtisch genoeg om ook ruimte te bieden aan uitstapjes. Het is een bepaalde lijn die je tussen de kunstenaars kunt zien, maar de solopresentaties blijven wel op zichzelf staan.

Extended Matter refereert aan de houding en mentaliteit van de kunstenaar. De deelnemende kunstenaars hebben allemaal een eigen manier van invulling geven aan Extended Matter, maar overeenkomstig is dat ze langzame werkprocessen of verwerkingsprocessen hebben en onderzoek doen naar gedragingen van materiaal in allerlei vormen. Bij Janina Frye is dat bijvoorbeeld het object als verlengde van het lichaam. Bij Rein Dufait is het veel meer op het materiaal gericht. Het oneigenlijke materiaal of de omgekeerde vorm. Wat is nou de essentie van een sculptuur maken? Het gaat om een soort materialiteit, om de manier waarop mensen dat vertalen naar iets anders en hoe ze ons dat inzichtelijk willen maken. Johann Arens komt bijvoorbeeld met een omgeving die een ziekenhuissituatie creëert. Hij gebruikt objecten die van oorsprong in zo’n omgeving gebruikt zijn, refererend aan het menselijk lichaam, maar het zijn ook afvalstukken ervan. Door de objecten in een nieuwe context te plaatsen ontstaat er een soort vervreemding of een nieuwe werkelijkheid. Dat is het meest interessante voor publiek, dat je verschillende invalshoeken krijgt van een bepaalde gedachte. Dat is de Extended Matter.

Jullie noemden Janina Frye, Rein Dufait en Johann Arens al die jullie geprogrammeerd hebben dit jaar. Op welke grond maken jullie je keuzes en wat zoeken jullie in kunstenaars?

We zoeken naar mensen die eigen zijn en die een bepaalde poëzie hebben in hun werk, dus niet te letterlijk werk maken. Een poëtische en filosofische houding vinden we veel interessanter dan een puur esthetische of geëngageerde benadering. Dat is te plat. Er moet een soort poëzie inzitten, een grondgedachte en een duidelijke noodzaak om tot werk te komen. De kunstenaar moet die filosofische en poëtische grondslag weten vorm te geven en daarmee onze verbeelding kunnen prikkelen en oproepen. Daar gaat kunst over. Naast een poëtisch inhoudelijke keuze kijken we of iemand vanuit zijn oeuvre de vertaling kan maken naar deze ruimte. We kijken naar de samenhang binnen ons programma en schatten in of mensen de ruimte aankunnen, want het is een forse ruimte. Je kan met heel weinig, eenvoudige en summiere middelen op de ruimte reageren en het kan ook heel groot, maar je moet vanuit het denken tot een vorm komen waarbij je de ruimte inpakt. Je moet de ruimte naar je hand kunnen zetten. Dat is een belangrijk aspect bij onze selectie.

Jullie hebben de ruimte van P/////AKT POOL net verbouwd. Hoe reageren de kunstenaars in hun werk op deze kleinere ruimte?

De ruimte van P/////AKT POOL was een behoorlijk frustrerende plek omdat de kunstenaars niet lekker konden exposeren. De ruimte drukt ze in een richting en dat was steeds weer een worsteling. Thomas Swinkels bijvoorbeeld was de tweede P/////AKT POOLER, hij wilde de wanden eruit halen en de ruimte onderzoeken met cameraatjes om te kijken wat daarachter zat, of een pilaar openbreken. De kunstenaars proberen er eigenlijk altijd uit te breken. Hoe moet je met zo’n kleine ruimte omgaan, dat is een hele goede uitdaging, het kan kunstenaars ook aanscherpen.

We hebben nu één kunstenaar, Emiel Zeno, die in de nieuwe, uitgebreide ruimte heeft gewerkt. Emiel hadden we uitgenodigd toen we zelf nog niet wisten dat we het gingen uitbreiden. Hij had direct veel plannen en wilde bijvoorbeeld de trap er uit halen, maar dat mocht niet van ons (omdat het een brandtrap is). We konden de ruimte wel vergroten, wat voor hem heel fijn was. En alsnog heeft hij eraan gezeten, want hij heeft het traphekje omgedraaid. De eerste vier P/////AKT POOLERS waaronder Thomas Swinkels en Lisa Sudhibhasilp zeiden wel dat de uitbreiding hen jaloers maakte. Zij hadden het ook wel gewild. Maar je kunt ook zeggen, jullie waren de pioniers! De uitgebreide ruimte kan de kunstenaars ook een beetje verwennen. We geven ze een nette lieve ruimte waar ze makkelijk mee uit de voeten kunnen. Dus de uitdaging is wel behoorlijk weg. Maar we adviseren wel om beneden al te beginnen en om te proberen de verbinding te maken via de trap naar boven, een trigger om mensen uit te dagen en uit te nodigen om die stap te nemen.

Jullie nodigen voor jullie programmering jong talent uit van de academies in Nederland. Hoe beoordelen jullie de kwaliteit van de pas afgestudeerden in de afgelopen jaren? Zijn er bepaalde academies die er met kop en schouders bovenuit steken?

Vroeger – dat kan ook met onze eigen ontwikkeling te maken hebben, maar waarschijnlijk niet alleen – hadden we weleens dat het voorkwam dat we iemand meteen van de academie een solo gaven in de grote ruimte. Dat hebben we bijvoorbeeld gedaan met Saskia Noor van Imhoff, Maurits Koster en Daniel vom Keller, maar dat gebeurt nu nauwelijks meer. Onlangs alleen nog met Tim Hollander. Die hadden we op zijn eindexamen gezien en daarvan zagen we dat hij al verder was, ook inhoudelijk. Zeker voor zo’n grote ruimte is dat belangrijk. Je ziet dat er op de academies de eerste drie jaar ontzettend veel geëxperimenteerd wordt en in het vierde jaar moet het eindexamenwerk eruit komen. In het derde jaar hebben ze van alles geprobeerd en in het vierde jaar is het opeens heel serieus. Dan gaan ze zich forceren om tot een eindpresentatie te komen. Het moet een mooi en overzichtelijk beeld geven van wie ze zijn en wat ze doen, maar dat weten ze nog helemaal niet want een half jaar geleden maakten ze nog iets heel anders. Het idee van zo ga ik mij presenteren, zo ga ik mij laten zien aan de buitenwereld is veel te vroeg. Maar goed, dat zegt niet zozeer iets over de kwaliteit van de academies als wel het tijdsbestek waarin mensen zich moeten vormen.

Bijna elke academie heeft ieder jaar wel één of twee kunstenaars waar wat inzit. Er kunnen van iedere academie goede mensen komen, maar we hebben van sommige academies wel hogere verwachtingen. Die verwachtingen komen alleen niet altijd uit. We hebben een kunstenaar van de HKU gehad, Rietveld, AKI en er komt nu iemand van de KABK uit Den Haag. In Den Bosch en Breda gebeuren ook interessante dingen. De AKI is soms raar en eigenwijs, dus daar komen hele rare mensen vandaan en dat vinden we juist leuk want die hebben we het hardst nodig. Dat mensen anders kijken en niet zo geconditioneerd zijn als ‘dit is kunst en zo moet het en zo past het in wat er gebeurt’. Nee, ze moeten met nieuwe dingen komen. Zodat ons kijken, denken en beleven opgerekt wordt. Dat is waar het om gaat uiteindelijk.

Welke (internationaal opkomende) kunstenaars die jullie in de afgelopen jaren geprogrammeerd hebben moeten we in de gaten houden?

Allemaal! Je vraagt zoiets als ‘welk kind vind je het leukste’. Even denken. Rein (Dufait) gaat het redden, hij is ook omarmd door een galerie in Antwerpen en als zij hem goed begeleiden gaat het goed. Dat is een oorspronkelijke jongen. Wat hij doet, daar staan wij ook van te kijken. Dus die moet je zeker in de gaten houden. Wouter Venema is ook onder de hoede bij Rianne Groen, maar die heeft echt meer grote projecten nodig, dat is goed voor hem. Nicolás Lamas redt het ook hartstikke. Die is in het buitenland ook al flink bezig. Eigenlijk is hij al talent af, hij is al door. Kasper Bosmans is ook door. Dat is echt een jonkie, 25 of 26 jaar, maar hij doet dingen die je niemand anders ziet doen. En op een hele goede manier, heel erg vanuit zichzelf, vanuit zijn eigen wereld. Mensen vallen samen met hun werk. Als je daar komt, kun je het ook redden. Dan is er nog Dan Walwin. Die heeft iets. Hij moet doorbreken, maar we begrijpen niet waarom dat niet gebeurt. Misschien is hij ook een beetje eigenwijs, of vinden mensen toch zijn werk moeilijk. Maar het is elke keer weer een beleving als we een installatie van hem zien: er is iets met beweging, water, vervreemding, een soort afstand maar ook ergens in meegezogen worden, dat is gewoon fijn als je naar een kunstwerk kijkt. Dan is echt een heel mooi voorbeeld, je wil zeggen ‘jongens, kom op, ga voor Dan’! Maar goed, zo zijn er nog veel meer. Hedwig Houben vinden we ook geniaal. Haar werk hebben we al in 2011 en 2012 getoond. Dat was één van de beste tentoonstellingen. En ze heeft een hele mooie performance bij ons gedaan. Ze zit nu ook bij Fons Welters. Femmy Otten en Bram De Jonghe moeten ook wat meer aandacht krijgen. Femmy redt het wel. Hedwig redt het wel, maar Bram De Jonghe is een typisch poëtische kunstenaar met surreële aspecten in zijn werk. Dat werkt heel fijn vervreemdend en is echt bijzonder, daar moeten er meer van komen.

Tot slot, wat kunnen we de komende tijd van jullie verwachten?

Voor zover we kunnen beoordelen blijven we de komende tijd werken met solotentoonstellingen. Het kan ineens zo zijn dat we bedenken dat er een hele belangrijke reden is om een groepstentoonstelling te doen, het is allemaal niet uit steen gehouwen. Aan het eind van dit jaar is er één samenwerking met een duo solo van twee Litouwse kunstenaars in samenwerking met het Contemporary Art Centre (CAC) in Vilnius, met als idee dat wij in 2019 daar een project gaan doen. We zijn er nog over aan het nadenken of dat alleen in het CAC wordt of eventueel ook op andere plekken in de stad, maar we moeten kijken of dat zowel qua tijd als budget haalbaar is. Daar in de Baltische staten zijn we een beetje aan het wroeten. Er is ook contact met Riga. We zaten in de jury van de Young Contemporary Art Prize in Litouwen, mede georganiseerd door het CAC. Daardoor konden we daar kijken en veel mensen spreken. Maar een samenwerking heeft een lange aanloop nodig. Je bent zomaar twee jaar verder voordat er iets gebeurt. Nu zijn we met Lissabon bezig waar we een partner hebben gevonden. We kunnen alleen de naam nog niet noemen want het is nog niet beklonken, maar het voelt hartstikke goed. We hebben er een goede klik mee. Eigenlijk proberen we in 2019 daar een eerste presentatie te maken. Maar goed dat zijn dan al twee presentaties in 2019 in het buitenland naast zes tentoonstellingen hier en dan ben je wel aan je taks.