Nicole Beutler

over 7: TRIPLE MOON en de zeggingskracht van theater en dans

Nicole Beutler (München, 1969) is choreograaf en theatermaker. Onder de vlag van haar eigen organisatie NB Projects ontwikkelt ze voorstellingen op het grensvlak van beeldende kunst, theater en dans. Beutler onderzoekt de actuele zeggingskracht van theater en dans in relatie tot artistieke en maatschappelijke thema’s, geschiedenis en tradities. Haar pioniersmentaliteit en verbindende kracht in het veld worden internationaal gewaardeerd.

Eerder maakte je 5: ECHO en 6: THE SQUARE, gebaseerd op de cirkel en het vierkant. Nu werk je aan 7: TRIPLE MOON, met de driehoek als uitgangspunt. Vanwaar die fascinatie voor abstracte vormen?

“Sinds de bezuinigingen op cultuur in 2011 had ik stukken gemaakt als Piece, Shirokuro en Antigone, die draaiden om empowerment. Ik wilde tegen het publiek zeggen dat het belangrijk is om voor je waarden te vechten. In Duitsland, waar ik vandaan kom, zou de discussie over de legitimiteit van de kunsten zoals die toen werd gevoerd nooit kunnen bestaan. Cultuur is niet iets dat je kunt afschaffen. Het is er vanzelfsprekend, poëzie en theater horen bij de samenleving. Ik was heel boos omdat mensen geen positie in durfden te nemen. Dat collega’s niet de moeilijke kunstenaars wilden uithangen, dat vond ik zó gek. Ik heb iedereen gebeld, op de Uitmarkt staan speechen…. achteraf gezien was dat mijn meest politieke tijd.

In 2013 wilde ik terug naar de kern van mijn werk en 4: STILL LIFE was het begin van een nieuwe periode. Het uitgangspunt was de rust van een kunstwerk, letterlijk zoals een stilleven in een museum hangt, waarvan toeschouwers de compositie en de kleuren kunnen bekijken en zich verwonderen over achterliggende gedachten. Ik las veel over Bauhaus, de kunstbeweging die 100 jaar geleden al bezig was met synesthetische ervaringen. Ze experimenteerden met kleuren en geluid, met de performatieve aspecten van muziek. Een totale kruisbestuiving van disciplines. In diezelfde periode werd ook de abstracte kunst uitgevonden. Ik ontdekte dat schilders zoals Mondriaan zeer geïnspireerd waren door spiritualiteit, bijvoorbeeld door mensen als Helena Blavatksy en de theosofische beweging. Die abstractie was dus ook een zoektocht naar betekenis, door gebruik te maken van universele tekens en oervormen. Dit gegeven, dat vorm zoveel connotaties, zoveel inhoud kan meebrengen en in diepere zin gaat over de vraag hoe we willen samenleven, inspireerde mij enorm. Zo probeer ik nu in 7: TRIPLE MOON ook de driehoek te benaderen.”

Hoe kom je van een uitgangspunt tot een concept voor een voorstelling?

“Ik begin altijd met onderzoek. Dat bracht me in eerste instantie bij het patriarchaat en de drie-eenheid Vader, Zoon, Heilige geest. Maar dat leek me een saai uitgangspunt. Ik vond het interessant om op zoek te gaan naar het feministische alternatief. In veel culturen hebben oergodinnen bestaan. Ik heb veel gelezen over het nieuwe feminisme en ben ervan overtuigd dat het mannelijke denken, dat een bepaalde lineaire denkwijze vertegenwoordigt, een denken in opposities, in onze samenleving een hoogtepunt heeft bereikt maar nu in feite is uitgeput. De verkiezing van Trump laat dat bijvoorbeeld zien, dat is pure idiotie. Maar langzaam ontstaat er ruimte voor het meer verbindende, feminiene denken. Anders dan het feminisme van eerdere generaties is dat onafhankelijk van geslacht.

Het onderzoek naar de vraag wat de driehoek zou kunnen betekenen bracht me uiteindelijk bij de vrouwelijke drie-eenheid Maiden, Mother, Crone. Dus meisje, moeder, wijze oude vrouw. Dat is het uitgangspunt geworden voor deze voorstelling. Voor mij is een nieuw stuk ook een aanleiding om zelf te leren. Ik maak het niet alleen voor het toneel, het proces is ook belangrijk. Daarom maak ik ook altijd boekjes, om mensen iets meer mee te geven dan alleen de ervaring in het moment. En ik geloof in zeitgeist. Ik ben het niet zozeer zelf die geniale ideeën heeft maar ik merk dingen op of neem waar wat er heerst. Voor dit onderwerp geldt dat ook. Michael Moore bracht bijvoorbeeld onlangs de documentaire Where to Invade Next uit, waarin hij schetst dat de toekomst in handen van vrouwen ligt.”

Wat is je rol in het repetitielokaal, hoe ga je te werk?

“Ik werk vrij intuïtief maar blijf binnen mijn zoektocht. In de repetities probeer ik vooral ruimte te creëren en constant alert zijn. Ik heb geen vaste manier van werken, het uitgangspunt van de voorstelling bepaalt wat nodig is. Vaak gebruik ik Kalaripayattu, dat is een Indiase martial art die ik zelf beoefen. Maar het kan ook ballet zijn, ballroomdancing of yoga. Voor 7: TRIPLE MOON wordt er soms gemediteerd omdat we andere manieren zoeken om “in ons lichaam” te komen. Ik geef improvisatie-opdrachten en de dansers ontwikkelen idiosynchratisch bewegingsmateriaal op basis van hun dromen en geïnspireerd door de mythologische figuren Demeter, Persephone en Hekate. Ik moet constant richting kiezen en snel beslissingen kunnen maken en dan is het de uitdaging om op mijn intuïtie te vertrouwen en te weten dat de richting die ik kies te maken heeft met het geheel. ‘Create first, analyse later’, zoals John Cage zei. Ik heb vandaag mijn eerste briefing aan het team teruggelezen. Die schreef ik drie maanden geleden maar alles waarmee we nu bezig zijn staat daar al in. Ik ben dus nog op mijn pad.”

Openheid, vrijheid en het vechten tegen ideologieën zijn onderwerpen die vaak terugkomen in jouw werk. Zie je dat als je belangrijkste taak als kunstenaar?

“In feite gaat het om de porositeit van het leven. Het is mijn job te werken met het hier en nu en dat heeft een andere wetmatigheid dan de ideologie. In de repetitiestudio of wanneer ik met mensen praat is het mijn taak om heel zorgvuldig te kijken, actief te luisteren, niet vooringenomen te zijn. Niets uitsluiten, me niet vastbijten in mijn eigen opvattingen. Dat maakt het werk in het begin heel breed maar inmiddels weet ik dat ik kan vertrouwen op mijn buikgevoel. Dat er niets is waar ik me aan kan vasthouden, behalve de uitwisseling, is de kern van mijn werkwijze.”

Een ander terugkerend aspect van je werk is dat je vaak put uit de kunst- en cultuurgeschiedenis. Waar komt dat vandaan?

“Het heeft met mijn achtergrond te maken. Ik heb op een humanistisch gymnasium gezeten, een klassieke school met strenge docenten maar in het denken heerste een grote vrijheid. Mijn vader is leraar Grieks en Latijn en met mijn ouders heb ik veel gereisd. Openheid en interesse in andere culturen heb ik dus van huis uit meegekregen, en dat je wakker en menselijk moet denken. We hebben in Istanbul gewoond en gingen op vakantie naar Iran, Irak, Pakistan, India, Afghanistan. Ik vind het te gek om te onderzoeken waar de dingen vandaan komen. Als ik geen choreograaf was geworden, was ik archeoloog. Maar in mijn werk is dat pas later een rol gaan spelen.

In eerste instantie wilde ik vooral nieuwe vormen ontdekken. Ik heb beeldende kunst gestudeerd in München en ben daarna naar Amsterdam gekomen voor de School voor Nieuwe Dansontwikkeling. Na mijn afstuderen in 1997 heb ik 10 jaar lang werk gemaakt waarin ik bezig was met het ontdekken van nieuwe vormen en het ontwikkelen van persoonlijk bewegingsmateriaal. Uiteindelijk werd ik daar een beetje moe van. Alles ging over het vinden van je eigen pad, je eigen artistieke handtekening. Toen kreeg ik zin om de wortels van de dans te onderzoeken. Ik vroeg me af waarom mensen eigenlijk in een zaal zitten om naar dans te kíjken. Zo kwam ik bij het klassieke ballet terecht en het gegeven dat de virtuoze danser pas ontstond na de oprichting van de eerste academie, waar Louis IV danste. Dit creëerde een afstand tussen de dans en het publiek. Ik vroeg me af wat dit betekent voor mij als kunstenaar en hoe ik dans dichterbij het publiek kan brengen. Hieruit ontstond de voorstelling Les Sylphides. Daarin heb ik het publiek om de dansers heen gezet, de ballerina’s zijn dus ook van achteren zichtbaar. Zo is het begonnen, dat ik de geschiedenis weer actief heb omhelsd.”

Zo beschouwd kan kunst ook een vorm van kennis zijn. Beschouw je je werk zelf zo?

“Het is een manier om opnieuw naar de wereld te kijken. Dat kan leerzaam zijn. Niet op een didactische manier; ik ga mensen niet opvoeden, ik probeer ruimte te openen en hoop dat mensen die daar sensibel voor zijn dat herkennen. Ik hoop dat mijn stukken niet alleen tot consumptie uitnodigen maar ook tot reflectie. Het gaat om het Appolinische én het Dyonisische, zoals Nietzsche dat zo mooi heeft gesteld.

De ervaring is ook heel belangrijk, ons lichaam is het grootste dat we met ons meedragen. Door onze spiegelneuronen herkennen we op toneel wie we zijn, hoe we ons gedragen, met welke energie en intensiteit. Dat herkennen, betekent dat je er iets van kunt meenemen in je eigen lichaam. Ons leven wordt op dit moment in grote mate bepaald door het internet. Maar dat is zo… hygiënisch. Het stinkt niet, het heeft geen bloed, geen lichaam, het ontkent eigenlijk alles wat wij zijn. Maar toch staan we ermee op en gaan ermee naar bed. Ik heb toch ook wel een soort zendingsdrang om de wereld beter te maken. Ik ben niet iemand die via de provocatie werkt want uiteindelijk gaat het om verbinding. Samen zijn we sterker. Je gaat naar het theater om samen iets te beleven en het gevaar van de live act maakt dat essentieel. Het is fantastisch dat daar een hele groep mensen bij elkaar zit, die één lichaam wordt, zich samen verhoudt tot één inhoud. De concentratie die het theater opeist, daar houd ik heel veel van.”

Een verbindende rol heb je ook in het veld van de hedendaagse dans en performance. Hoe kijk je naar de ontwikkelingen in het veld?

“De kunst is hier vooruitstrevend, er is ruimte voor experiment en nieuwe vormen. Het is een houding, een progressief denken dat echt niet overal bestaat. Ik realiseerde me dat toen ik een aantal jaren geleden in Melbourne was om een workshop te geven. Het plan was om een half jaar te blijven maar ik miste de culturele scene van Amsterdam heel erg. Na tien dagen ben ik terug gegaan.

Op dit moment beweegt het wat meer richting creative design. De schotten tussen zogenaamde toegepaste kunst en vrije kunst, en tussen disciplines als muziek, film en performance verdwijnen steeds meer. Door de vele opleidingen is het veld ook groot. Helaas is het versnipperd, daarom zijn we begonnen met BAU, een platform voor de onafhankelijke dans en performance scene in Amsterdam. Nieuwe stemmen zijn van belang, we willen die graag meer zelfvertrouwen geven en misschien kunnen ze ook wat bewegen in de politiek. Zelf ben ik ook wel moe van het ad hoc werken. Gelukkig hebben we ook een aantal relaties en partners waarmee we langere lijnen kunnen trekken. We werken bijvoorbeeld samen met Operadagen, Silbersee en hebben goede relaties met Spring, Frascati en de Stadsschouwburg. Dat Ammodo ons meerdere keren ondersteunt is ook heel fijn, dat vertrouwen is noodzakelijk. De druk en de verantwoordelijkheid zijn heel groot maar ik ben nog steeds heel blij dat ik theater mag maken. De dagen zijn te kort dus ik werk ook ’s nachts. Maar het voelt niet als een last, ik doe het heel graag.”

Je bouwt aan een repertoire, een body of works. Voorstellingen van NB Projects kunnen jaren na de première opnieuw en soms in andere vormen of contexten verschijnen. Is dat een bewuste keuze?

“Ja, ik heb daar lang voor gevochten, dat voorstellingen terug kunnen komen. Het werk dat ik maak, dat is geen seasonal work. Ik zie mijn voorstellingen als kunstwerken die met de tijd en de context te maken hebben maar ook tijdloos zijn. Dus als het kan, dan probeer ik ze voort te laten leven. Op dit moment neem ik de driehoek als uitgangspunt om de vrouwelijke kracht te onderzoeken. Het is een aanleiding om te kijken naar wat zich tussen de zichtbare dingen afspeelt. Zoals Rebecca Solnitt schreef: ‘Let’s go into the dark with our eyes open’.”