Miguel John Versluys

over globalisering in de oudheid, Romeinse innovatiekracht en de objectscape

Miguel John Versluys

Miguel John Versluys (1971) is hoogleraar Klassieke en Mediterrane Archeologie aan de Universiteit Leiden en zat in de adviescommissie voor de Ammodo Science Award for groundbreaking research 2022. In zijn onderzoek naar de culturele diversiteit van het Romeinse Rijk combineert hij inzichten en methoden uit de sociale, geestes- en natuurwetenschappen. “Gespecialiseerde onderzoekers moeten van hun eilandjes afkomen.”

Hoe heeft de klassieke archeologie zich de afgelopen decennia ontwikkeld?

De klassieke archeologie was lange tijd de studie van een elite over een elite waarbij alles uit de oudheid als kunst werd beschouwd. Volgens de toen heersende gedachte had de klassieke wereld niets te maken met kwalijke of banale zaken zoals slaven of toiletten. In de jaren 60 en 70 kwamen binnen de universiteit stromingen als het marxisme en postkolonialisme op. Zij leverden kritiek op het feit dat de antieke wereld voornamelijk werd gepresenteerd als geschiedenis van Grieken en Romeinen, terwijl er enorm veel andere volken en culturen waren.

Hoe is die nauwe blik verbreed?

Er ontstond een paradigmatische verschuiving. Archeologen begonnen bijvoorbeeld allerlei ‘perifere’ gebieden in Italië en daarbuiten te onderzoeken en gingen ook het alledaagse leven bestuderen. Dat heeft een heel ander beeld opgeleverd van de Romeinen: er was imperialisme en er vond op grote schaal verovering en plundering plaats. De keuze voor een specifiek onderwerp van studie is in zekere zin altijd ideologisch gekleurd. Daarom is die correctie door de generatie archeologen vóór mij belangrijk geweest; zij toonden aan dat ons begrip van de klassieke oudheid gebaat is bij een diversiteit aan perspectieven. Met mijn onderzoek probeer ik een volgende stap te zetten door het succes van de Romeinse wereld te begrijpen vanuit een heel nieuwe invalshoek, met globalisering als uitgangspunt.

Waarom globalisering?

Mijn stelling is dat globalisering niet specifiek is voor de 21e eeuw maar al millennia teruggaat. Het Perzische rijk beschrijft zichzelf als eerst in de wereldgeschiedenis als een universeel rijk. Het idee dat je kosmopolitisch bent en dat je wereldburger kunt zijn ontstaat dan voor het eerst. Vanaf 200 voor Christus verschijnen de Romeinen op het wereldtoneel. Rome was op dat moment buitengebied en had weinig te maken met de belangrijke ontwikkelingen in die periode. Maar vanuit de periferie begonnen zij grote delen van de hellenistische wereld – gebieden die we tegenwoordig Noord Afrika, het Midden-Oosten en Turkije noemen – te veroveren en daarmee gaan ze opeens onderdeel uitmaken van een globaal netwerk. Met het Romeins imperialisme ontstaat een van de interessantste periodes in de wereldgeschiedenis waarin enorme culturele uitwisseling plaatsvindt. Dat komt ook omdat aan de andere kant van Afro-Eurazië precies hetzelfde gebeurt met de opkomst van het Han-Chinese rijk.

Waarom is die periode zo interessant?

Wat mij fascineert is de manier waarop het zich ontwikkelende Romeinse rijk zich de culturen van veroverde gebieden toe-eigende. De Romeinen zijn relatieve nieuwkomers zonder sterk eigen verleden. Als wereldmacht in wording hadden zij gebrek aan een eigen identiteit die het lokale en regionale oversteeg. Juist omdat ze op een ongekende schaal aan het globaliseren waren geslagen, en daardoor zelf ook geglobaliseerd werden, hadden ze een enorme behoefte aan een overtuigend, nieuw verhaal over zichzelf. En dus putten ze uit de cultuur en geschiedenis van veroverde gebieden om hun eigen identiteit vorm te geven.

Zijn de Romeinen de uitvinders van culturele toe-eigening?

Volgens mij beïnvloeden culturen elkaar altijd en per definitie. In cultureel opzicht bestond er een krankzinnig grote vrijheid die de Romeinen hielp om hun pasverworven identiteit verder vorm te geven. De pluraliteit aan culturen binnen hun groeiende rijk dwong de Romeinen tot zelfreflectie en prikkelde hun verbeeldingskracht. Door de eeuwen heen vond er een proces van Romanisering plaats waarbij ‘typisch Romeinse’ invloeden zoals badgebouwen en amfitheaters over het rijk verspreid werden. Maar we weten inmiddels dat geen van die invloeden ‘typisch Romeins’ was en daarbij werden deze veranderingen vaak door de lokale bevolking zelf vormgegeven. Romanisering is dus een slecht begrip omdat het primair Rome verantwoordelijk maakt voor alle veranderingen. Op die manier ontstaat er een tegenstelling tussen Romeins en inheems en vaak klopt dat beeld niet. Mijn onderzoek laat zien dat de Romeinse innovatiekracht juist ontstond dankzij de interactie met vreemde culturen; die Romeins werden en vice versa. Dat inzicht blijft relevant aangezien dergelijke innovatieprocessen van alle tijden zijn.

Wat is de volgende stap binnen archeologische theorievorming?

Archeologen zijn vaak één heel klein stukje van de geschiedenis aan het bestuderen vanuit een heel erg lokaal perspectief. Vanuit specialismen wordt veel cruciaal archeologisch onderzoek verricht: opgravingen doen, stilistische elementen beschrijven, aardewerk dateren en classificeren. Dat is belangrijk werk maar nu is het tijd om ook een volgende stap te maken. Als we geïnteresseerd zijn in de vraag how it all connects, en dat zouden we juist in deze levensfase van ons vak moeten zijn, moeten we een vorm van archeologie ontwikkelen waarbij gespecialiseerde onderzoekers van hun eilandjes afkomen. Dat is ontzettend lastig maar ik geloof wel dat we de intellectuele verantwoordelijkheid moeten nemen om het te proberen. Want ook in de oudheid ontwikkelde alles zich in onderling verband: gebeurtenissen in Italië en Noord-Afrika waren vervlochten met die in Azië en Griekenland. Dus naar welk cultureel verschijnsel je ook kijkt – of het nu Egyptisch, Romeins of Grieks is – je zal altijd zien dat het zowel lokaal als globaal verbonden is. Die intense verwevenheid vormt het uitgangspunt van mijn onderzoek. Als je de topografische kaders waarmee we als archeologen zijn opgevoed durft los te laten, levert dat een complexer en dus veel interessanter beeld van de wereldgeschiedenis op.

Hoe vertaalt zich dat in jouw onderzoek?

Op dit moment richt mijn onderzoek zich op Alexandrië en Commagene. Dat zijn twee gebieden die precies op de grens van de Mediterrane wereld en Centraal-Azië liggen en die lange tijd werden afgedaan als tussenliggende, perifere regio’s. Maar ik zie die plekken juist als kosmopolitische plaatsen waar volop culturele uitwisseling plaatsvond. Alexandrië was het New York van de oudheid waar allerlei invloeden uit het Aziatische netwerk binnenkwamen. Rome had zelf relatief weinig culturele eigenheid, begon het centrum van de wereld te veroveren en werd vervolgens – bijna letterlijk – overspoeld door nieuwe mensen, ideeën en objecten. De opgravingen in dat tussengebied laten heel duidelijk zien dat het Romeinse rijk niet alleen een imperialistisch project was maar zélf ook werd beïnvloed door de culturen die het veroverde. Om dat spannende stuk wereldgeschiedenis echt goed te begrijpen moet je de rol van objecten ook laten meespelen in het globaliseringverhaal.

Je introduceerde de term “objectscape” binnen de archeologie. Waarom?

Met dat begrip wil ik meer aandacht vragen voor de actieve rol die objecten hebben gespeeld in de wereldgeschiedenis. Binnen de archeologie heerste lange tijd het idee dat je klassieke teksten moet bestuderen om vroegere samenlevingen te begrijpen. Menselijke emoties zijn waarschijnlijk nooit beter beschreven dan in Griekse tragedies, dus die bieden ons inderdaad een waardevol venster op het verleden. Maar door alleen producten van de menselijke geest te bestuderen dreig je een belangrijk deel van de materiële werkelijkheid uit het oog te verliezen. Ik vind het veel interessanter om ook te bekijken wat de concrete impact van bepaalde voorwerpen is geweest. Sinds de verlichting zijn subject en object van elkaar gescheiden: mensen worden gezien als actief terwijl voorwerpen enkel een passief product van menselijke intenties zouden zijn. Die tweedeling wil ik nu loslaten door met het begrip objectscape centraal te stellen wat objecten doen.

Als archeoloog werk jij ook samen met bètawetenschappers. Wat is de meerwaarde daarvan?

Vroeger waren archeologen vooral bezig met de betekenis van objecten: wat wordt er afgebeeld en waarom? Als je dat geclassificeerd had dan was je klaar. Er was weinig aandacht voor materiaalsoorten. In de bestaande literatuur is daarom vaak sprake van incorrecte identificatie van mineralen en gesteenten en archeologen schrijven dat al honderden jaren zo van elkaar over. Inmiddels is het mogelijk om aan de hand van chemische analyse de herkomst van het materiaal van archeologische vondsten betrouwbaar vast te stellen. Een saillant voorbeeld: hoewel eeuwenlang werd aangenomen dat De Steen van Rosetta van basalt was gemaakt bleek uit recente analyse dat het uit granodioriet is gesneden. Op basis van zo’n materiaalsoort kan je de datering en herkomst specifieker vaststellen. Zo stelt scheikundige analyse ons in staat om de uitwisselingsnetwerken van objecten beter in kaart te brengen.

Dus je denkt als het ware vanuit het object?

Preciezer gezegd: we denken vanuit het netwerk waarbinnen mensen en dingen elkaar construeren. Zodra we voorwerpen zijn gaan maken, oftewel vanaf het begin van de mensheid, houden objecten ons in hun greep, en andersom. Om een hedendaags voorbeeld te geven: hoewel smartphones geen levende wezens zijn, hebben ze weldegelijk een enorme impact. Door het intensieve gebruik ervan veranderen onze motoriek en concentratievermogen, maar ook onze sociale praktijken en ideeën over bijvoorbeeld privacy. De smartphone is eveneens een prachtig voorbeeld van globalisering want in de gemiddelde telefoon komen productiefactoren uit tientallen landen samen. Dat is allemaal het resultaat van veranderingen in de 21e-eeuwse objectscape. In de oudheid was het niet anders: toen werden mensen ook gevormd door de objecten in hun omgeving die in verbinding stonden met een wereldwijd netwerk.

Hoe verschilt de Romeinse objectbeleving van de onze?

Wij zijn de aanwezigheid van talloze objecten als vanzelfsprekend gaan beschouwen. Maar in de oudheid bestonden er simpelweg veel minder voorwerpen. De successen van het Romeinse imperialisme zorgden voor de introductie van nieuwe objecten. Tijdens triomftochten werden karren met beelden, schilderijen en allerlei andere buitgemaakte objecten door de straten van Rome gevoerd. Maar ook op dagelijkse basis was er sprake van een continue toestroom van vreemde voorwerpen die sterke ervaringen konden oproepen. Het is interessant om te onderzoeken welke impact dat heeft gehad op de samenleving. De Romeinse geschiedenis werd niet alleen gemaakt door veroverende generaals en keizers, maar ook door dingen.

Kan je een voorbeeld geven van zulke impact?

In de late Republiek, vanaf 200 voor Christus, worden er in Rome bijvoorbeeld voor het eerst standbeelden van Griekse godinnen in hellenistische stijl, soms naakt, geïntroduceerd. Zulke levensechte sculpturen moeten ideeën over religie hebben veranderd. Daarnaast ontstonden er plekken waar die marmeren beelden tentoongesteld werden; op die manier veranderen ze ook de architectuur van de stad. Bovendien moet het zien van zulke levensgrote en tastbare figuren ook percepties over het eigen lichaam van toeschouwers hebben beïnvloed. Dit is wat wel de shock of the new wordt genoemd: door de confrontatie met iets dat je nooit eerder hebt gezien ontstaat een spanning die allerlei nieuwe ideeën, ervaringen en veranderingen mogelijk maakt. Het wordt zo mogelijk om buiten de culturele kaders te treden en dat levert nieuwe denkruimte op.

Onze liefde voor vernieuwing gaat dus terug tot onze voorouders. Kunnen wij die shock of the new eigenlijk nog ervaren?

Het is paradoxaal: te midden van een overdaad aan spullen en ervaringen zijn we tegenwoordig nog steeds wanhopig op zoek naar die shock of the new. Het heeft een heel andere invulling gekregen maar de behoefte aan vernieuwing is volgens mij inherent menselijk. Dat verlangen naar het onbekende heeft ook een keerzijde en verklaart deels waarom de consumptiemaatschappij maar blijft doordraaien. Mensen kopen spullen, maken verre reizen of kijken naar sciencefiction om maar overstelpt te worden met nieuwe indrukken. De coronapandemie heeft die globale materiële verbondenheid heel tastbaar gemaakt en ook de kwetsbaarheid ervan aangetoond. Die kracht én onmacht van het verbonden zijn loopt als een rode draad door de wereldgeschiedenis.

Waar heb je als commissielid voor de Ammodo Science Award 2022 op gelet?

Om baanbrekend onderzoek te doen moet je aanspraak maken op verschillende vakgebieden en dus écht interdisciplinair werken. De Award is toegekend aan iHub van de Radboud Universiteit: een multidisciplinair team dat grensverleggend onderzoek doet naar digitaliseringsprocessen. Geesteswetenschappers zoals filosofen, taalkundigen en historici vormen de basis en er wordt onder meer samengewerkt met sociale wetenschappers, rechtsgeleerden, informatici en onderwijskundigen. De bundeling van al die perspectieven en disciplines maakt het verschil. Dat merk ik ook in mijn eigen onderzoek. Het feit dat ik de ene dag bezig kan zijn met chemische analyse en de andere dag met Horatius biedt enorme meerwaarde.

Volgens mij zijn we allemaal ten diepste geïnteresseerd in de vragen: waar komen we vandaan, waartoe zijn we op aarde, waar gaan we naartoe? Die existentiële vragen horen bij de condition humaine en heb je nodig om de wereldgeschiedenis te begrijpen, inclusief de digitalisering van vandaag de dag. De geesteswetenschappen zijn bij uitstek toegerust om onderzoek te doen naar die belangrijke fundamentele vraagstukken. Maar dan moeten onderzoekers wel doorgaan met het verlaten van hun eilandjes.