Linda Steg

over wat mensen motiveert tot duurzaam gedrag

Linda Steg

Linda Steg (1965) is hoogleraar omgevingspsychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Binnen haar relatief jonge vakgebied staat zij wereldwijd bekend als een van de meest innovatieve en invloedrijke pioniers. Zij onderzoekt wat mensen motiveert tot duurzaam gedrag. Ammodo sprak haar over drijfveren voor milieubewust handelen, vertrouwen in de wetenschap en klimaatadaptatie.

Je doet onderzoek naar wat mensen drijft om milieuvriendelijk te handelen. Kun je daar iets meer over vertellen?  

Ik ben omgevingspsycholoog en onderzoek de interactie tussen mens en omgeving. Er zijn twee vragen die ik probeer te beantwoorden. Aan de ene kant: welke invloed heeft de omgeving op ons gedrag en welzijn? En aan de andere kant: wat motiveert mensen om duurzaam te handelen? Die laatste vraag heeft altijd de meeste nadruk gehad in mijn onderzoek naar wat mensen drijft om klimaatverandering tegen te gaan. Sinds kort doe ik ook onderzoek naar klimaatadaptatie. Want het is niet langer voldoende om klimaatverandering te beperken, we moeten ons ook gaan aanpassen. Daarbij ben ik vooral geïnteresseerd in duurzaam gedrag uit intrinsieke motivatie. Dus wanneer mensen niet omdat ze het leuk vinden of omdat het financieel aantrekkelijk is milieuvriendelijk handelen, maar omdat ze het zelf belangrijk vinden om iets goeds te doen voor het klimaat.

Kan je die intrinsieke motivatie stimuleren?

Ja, en daarbij kijk ik onder andere naar de rol van waarden. Uit het onderzoek dat mijn team doet blijkt dat veel mensen vrij sterke milieuwaarden hebben. Dat zijn algemene doelen die mensen nastreven en die bepalen of je duurzaam handelt en of je duurzaamheidsbeleid acceptabel vindt. Daarnaast onderzoek ik met mijn team hoe mensen die minder sterke milieuwaarden hebben toch gemotiveerd kunnen worden om duurzamer gedrag te vertonen. Daar hebben we verschillende routes voor gevonden. Als mensen zich bijvoorbeeld realiseren welke goede dingen zij al doen voor het milieu, gaan zij zichzelf zien als duurzaam persoon. Omdat men wil handelen in overeenstemming met het zelfbeeld stimuleert dat duurzaam gedrag. Daarnaast kunnen milieuwaarden ook uit de groep komen. Zo bleek uit één van onze onderzoeken dat werknemers van een bedrijf dat duurzaamheid hoog in het vaandel heeft staan, zelf ook duurzamer gedrag gaan vertonen. In een vervolgstudie hebben we onderzocht of hetzelfde principe geldt in relatie tot een bedrijf waar je klant bent. In dit geval was het een energiebedrijf en daar vinden we dezelfde soort patronen.

Dus jullie conclusie was dat het beter werkt om mensen te herinneren aan hun milieuwaarden dan hen direct te vragen om duurzaam te handelen?  

Inderdaad. Hetzelfde blijkt uit een recent onderzoek van één van mijn promovendi. Daarin kregen deelnemers om de dag een berichtje waarom vlees eten slecht is voor het milieu, bijvoorbeeld ‘vleesconsumptie leidt tot CO2 emissies’. Op basis van die informatie besloten de meesten om duurzaam te handelen; het leidde ertoe dat ze minder vlees gingen eten. De bevindingen van een andere promovenda van mij sluiten daarbij aan. Haar onderzoek suggereert dat keuzevrijheid cruciaal is voor de intrinsieke motivatie om duurzaam te handelen, en dat duurzaam gedrag vooral tot een goed gevoel leidt als men het gedrag vertoont uit vrije keuze.

Waarom handelen mensen die het milieu belangrijk vinden toch niet altijd consequent milieuvriendelijk?

Dat komt omdat het in veel situaties niet handig of zelfs niet mogelijk is om milieuvriendelijk te handelen. Niet iedereen kan het zich veroorloven om zonnecellen op het dak te zetten of zijn/haar huis volkomen te isoleren of een warmtepomp te installeren. De manier waarop onze samenleving is ingericht maakt dat sommige keuzes heel aantrekkelijk zijn en andere niet. Maar toch doen we van alles dat enige moeite kost. In Nederland wordt er bijvoorbeeld waanzinnig veel gefietst en gewandeld in plaats van de auto te nemen. Ook recyclen we massaal. Dat zijn geen dingen die direct positieve persoonlijke gevolgen hebben, en toch doen we het.

De klimaattop in Glasgow is verschoven naar eind 2021. De afgelopen maanden is gebleken dat we uit angst voor corona bereid zijn ons gedrag te veranderen. Ten aanzien van het klimaat lijken de meeste mensen de urgentie (nog) niet te voelen. Hoe zie jij dat? 

De coronacrisis is heel interessant omdat het laat zien dat echt ingrijpende veranderingen op heel korte termijn gerealiseerd kunnen worden. Volgens mij schatten beleidsmakers het draagvlak voor milieubeleid onder burgers over het algemeen te laag in. De gedachte is vaak dat mensen meer om hun eigen portemonnee geven dan om het klimaat. Maar draagvlak hangt niet alleen af van de vraag: zijn de baten voor mij hoger dan de kosten? Het hangt ook af van: is het beleid effectief om de problemen op te lossen? Hoe zijn kosten en baten verdeeld over de maatschappij? Heb ik inspraak gehad en is er rekening gehouden met mijn zorgen? Aan het begin van de coronacrisis vertelde de overheid duidelijk wat er moest gebeuren en zijn er heldere regels geïmplementeerd. Dat politieke lef werd gevoed door de wetenschap. Op het gebied van duurzaamheid gebeurt dat nog niet. Terwijl ook voor duurzaam gedrag geldt dat het niet alleen de verantwoordelijkheid is van het individu. Overheden en bedrijven hebben er ook veel invloed op. Aan het einde van de eerste coronagolf mochten we weer eerder vliegen dan met de trein, bijvoorbeeld. Vanuit een duurzaamheidsperspectief is dat een heel rare beslissing.

Als sociaal wetenschapper schrijf jij mee aan de rapporten van het klimaatbureau van de Verenigde Naties dat van oudsher vooral werd geadviseerd door natuurwetenschappers. Wat is er de afgelopen jaren veranderd?

In 2015 is in het klimaatakkoord van Parijs afgesproken om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden. In 2018 werd in het 1,5 graden rapport van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change rapport waarvan Linda Steg een van de hoofdauteurs was, red.) onderzocht of het mogelijk is om de wereldwijde temperatuurstijging tot 1,5 graden te beperken. De conclusie was dat zo’n beperking inderdaad haalbaar is en een belangrijke vermindering van risico’s door het klimaat oplevert. De kans op droogte, overstromingen, extreme hitte en andere ernstige gevolgen voor honderden miljoenen mensen wordt dan kleiner. Maar om dat voor elkaar te krijgen moeten er op heel korte termijn ingrijpende en niet eerder vertoonde maatregelen worden genomen. Daarbij kan sociaalwetenschappelijke kennis een belangrijke rol spelen. Destijds was ik als enige psycholoog bij het klimaatrapport betrokken. Aan het volgende IPCC rapport dat wordt verwacht tegen 2021 schrijf ik opnieuw mee, maar dit keer samen met zes of zeven collega sociale wetenschappers. Voor ons vakgebied is dus steeds meer aandacht.

Welke inzichten voegt jouw vakgebied toe?
In het aankomende rapport kijken we als sociale wetenschappers veel breder hoe de samenleving zich kan aanpassen. Het gevoel van urgentie is de afgelopen tijd in ieder geval behoorlijk toegenomen. Toen het 1,5 graden rapport uitkwam kregen de bevindingen veel media aandacht. Daarna volgden de klimaatprotesten en scholierenstakingen dus die publicatie heeft echt actie op gang gebracht. De reden daarvoor kan zijn dat er een positieve toon in het rapport zat waardoor het duidelijk werd dat we de negatieve gevolgen van klimaatverandering kunnen tegengaan. Uit onderzoek weten we dat angstopwekkende voorlichting averechts werkt. Het is van belang om mensen een handelingsperspectief te bieden zodat ze het gevoel krijgen dat er nog iets te redden valt.

Eind september 2020 ontvang je de NWO-Stevinpremie, wat betekent deze prijs voor jou?

Het is een mooie waardering voor een grote groep mensen. Ik heb het onderzoek naar milieugedrag waarvoor ik de prijs heb gekregen namelijk absoluut niet alleen gedaan, maar samen met zowel mijn voormalige als huidige collega’s. De Stevinpremie wordt toegekend aan wetenschappelijk onderzoek met maatschappelijke impact. En dat is precies wat ik het leukste en meest inspirerend vind aan onderzoek doen: dat het onderzoek wetenschappelijk goed in elkaar zit maar ook helpt om actuele problemen beter te begrijpen en op te lossen.

Je benoemt het belang van samenwerking, hoe ziet jouw onderzoeksgroep eruit?

Ik werk sinds lange tijd samen met ruimtelijk wetenschappers, milieukundigen, wiskundigen, filosofen, sociologen en recent ook met klimaatmodellenmakers. Interdisciplinaire teams leveren nieuwe ideeën op want iedereen heeft een deel van de puzzel. In zulke samenwerkingen dagen onderzoekers elkaar uit om de eigen dogma’s ter discussie te stellen. Op het moment werk ik veel samen met wiskundigen die algoritmes ontwerpen die bijvoorbeeld ons energiesysteem aansturen. Vanuit de toegepaste wiskunde maken zij heel basale assumpties over wat mensen motiveert. Meestal gaan zij daarbij uit van geld als prikkel. Samen proberen we nu om zulke aannames realistischer te maken. Psychologie kan gedragswetenschappelijke kennis toevoegen aan wiskundige algoritmes. Tegelijkertijd wordt de psychologie door de wiskundige logica gedwongen om veel preciezer na te denken over menselijk gedrag. Omdat wiskundigen uiteindelijk een formule willen opstellen, moeten psychologen veel strikter worden in hun redenaties. Dat is een wisselwerking waarbij die twee vakgebieden echt van elkaar kunnen leren.

Je bent actief in veel wetenschappelijke commissies. Per 1 september 2020 ben je toegetreden tot het KNAW bestuur als voorzitter van het Domein Gedrags-, Maatschappij- en Rechtswetenschappen. Hoe belangrijk is bestuurlijke betrokkenheid voor je?

Laat ik voorop stellen dat ik onderzoek doen het allerleukste vind. Maar omdat ik zelf allerlei onderzoeksvoorstellen indien vind ik het ook belangrijk om diensten te verlenen aan instanties die wetenschappelijk onderzoek mogelijk maken, daarom doe ik commissiewerk voor beurzen en prijzen zoals bijvoorbeeld de Ammodo Science Award in 2019. Hoewel ik geen voltijd bestuursfunctie ambieer heb ik zeker ideeën over wat er beter kan. Mijn overtuiging is dat je daar dan ook verantwoordelijkheid in moet nemen. Vanuit mijn rol als KNAW domeinvoorzitter kan ik een bijdrage leveren aan een aantal kwesties die spelen in de wetenschappelijke wereld. Ik vind het met name belangrijk dat onderzoekers binnen een omgeving werken waarin ze optimaal kunnen presteren. We hebben draken van administratieve systemen opgezet waardoor vaak hoogleraren in plaats van de ondersteunende diensten de administratie doen. Dat moet toch eenvoudiger kunnen. Een ander actueel punt is sociale veiligheid. De laatste tijd kwamen er allerlei zaken aan het licht over onheuse bejegeningen in de wetenschap, naar zowel studenten als naar medewerkers. Dat moet ook aangepakt worden omdat het van groot belang is dat iedereen in veilige omstandigheden werkt.

De positieve insteek van jouw onderzoek is hoopgevend. Wat is jouw droom voor de toekomst?

Volgens mij moeten we in de wetenschap meer uitgaan van vertrouwen. Nu moet alles tot op de komma verantwoord worden en daar spreekt een gevoel van wantrouwen uit. Dat kan ertoe leiden dat een bepaald type onderzoek niet meer gedaan wordt omdat het niet binnen de mainstream valt en dus te risicovol is. Het is zonde als beginnende onderzoekers om die reden geen zijsporen meer durven te bewandelen. Toen ik net begon als wetenschapper werd mij in eerste instantie ook verteld dat ik mijn carrière maar ergens anders moest voortzetten, want duurzaamheidsonderzoek paste niet op de universiteit. Dat is nu gelukkig veranderd, maar als er destijds geen vertrouwen was geweest in mijn kwaliteit als wetenschapper dan was ik hier nu waarschijnlijk niet geweest. Wetenschappers zijn professionals, dus volgens mij moet je die niet heel erg aansturen of klein houden, je moet mensen juist de ruimte geven zodat ze kunnen bloeien.

Foto’s: Florian Braakman