Hedwig Fijen

over bewegingsvrijheid, het vertellen van ongehoorde verhalen en de rol van de curator

Hedwig Fijen

Hedwig Fijen is directeur van de biënnale Manifesta, die iedere twee jaar in een andere Europese stad neerstrijkt. In 2020 vindt Manifesta plaats in de Franse havenstad Marseille, en is het een van de weinige biënnales ter wereld die doorgang vindt – al dan niet in aangepaste vormAmmodo sprak met Hedwig over bewegingsvrijheid, het vertellen van ongehoorde verhalen en de rol van de curator. 

De dertiende editie van Manifesta is net geopend. Hoe verliep de voorbereiding van Manifesta13 in Marseille?

We hebben wederom gemerkt dat het ingewikkeld is om een dialoog te starten. Toen wij in 2018 in Marseille arriveerden begon Les Gilets Jaunes, de gele-hesjesopstand. Die opstand is onder meer een uiting van de afkeer tegen het neoliberalisme en de uitholling van publieke instellingen. Daarom gaat de hoofdtentoonstelling, Traits d’Union.s, over verbindingen: hoe kunnen we antwoord geven op polarisatie, haat, extremisme en het geweld dat daaruit voortkomt? Maar ook: hoe kunnen bestaande publieke instituten weer hun waarde veroveren, hun urgentie, hun belang? Daarbij is natuurlijk de vraag hoe kunst zich daartoe kan verhouden.

Toen we voor onze vorige editie in Palermo neerstreken wist ik dat we een ander soort methodologie moesten ontwikkelen voor de vorming van de biënnale. Palermo is een complexe stad, vanwege zijn geschiedenis en bijvoorbeeld de functie die de stad bekleedt tussen het Noorden en het Zuiden. Destijds heb ik Rem Koolhaas gevraagd een urban study naar de stad te doen waarin niet enkel de stedenbouw onderzocht wordt, maar ook gekeken wordt naar religie, de impact van de tweede wereldoorlog op Palermo, criminaliteit, corruptie, en naar de invloed van die tendensen op de stedelijke vorming. Voor de Marseille-editie heb ik de Rotterdamse architect Winy Maas van architectenbureau MVRDV gevraagd voor eenzelfde onderzoek. Dat onderzoek – Le Grand Puzzle – gaat over de complexiteit van Marseille: de corruptie, de immigratie, de Pieds-noirs (Franse kolonisten die tijdens de Franse bezetting van 1830 tot 1962 in Algerije geboren werden, red.), maar ook de slechte behuizing, navigatie in de stad, mobiliteit, luchtvergiftiging en ecologische oorlogsvoering. We hebben kritiek gekregen van de Fransen. Het is voor hen ingewikkeld dat buitenlanders, al is het wetenschappelijk, een kritische positie innemen ten overstaan van hun beleid en cultuur.

Waarvoor dient het boek Le Grand Puzzle in de praktijk?

Winy Maas en ik hebben samen cultuurhistoricus David van Reybrouck bezocht, die democratische besluitmodellen ter discussie stelt. Van Reybrouck heeft een model ontwikkeld dat deliberative democracy heet, waarvoor hij op willekeurige manier mensen met allerlei achtergronden bij elkaar brengt om over belangrijke punten te beslissen. Zo’n proces hebben we naar aanleiding van het boek uitgerold in Marseille: we hebben diverse mensen bij elkaar gebracht en hen gevraagd naar hun bevindingen over hun stad. Wat zijn de alternatieve processen en narratieven in de stad die eigenlijk door niemand erkend worden? We gaan dus een stap verder dan het signaleren van wat er in de stad gebeurt en daar een poëtische of artistieke vertaling en interpretatie van maken. We willen concrete actieplannen in de stad neerleggen en kijken wat de bewoners ermee doen. Dat is een onderzoek waarvan we hopen dat het doorloopt als wij uit Marseille vertrokken zijn.

 

Maar is de waarde van publieke instituten zoals musea dan verloren in Marseille?

Wereldwijd wordt er bezuinigd op scholen, ziekenhuizen, musea. Dan kan je je afvragen: wat is de rol van het publieke instituut, wat is de rol van de publieke overheid? En wat voor verbindende rol kunnen de publieke instellingen spelen in het duiden van verleden, heden en toekomst? De afgelopen twee jaar zijn in Marseille wijken en huizen omgevallen, heel veel protestacties geweest, zijn veel mensen werkloos geraakt en heeft verwaarlozing van publieke instituties plaatsgevonden. Maar, het positieve is dat de kunst in Frankrijk niet in de marge geduwd wordt. De Fransen hebben respect voor de positie van kunstenaars en visionaire denkers. Marseille is een stad die in de tweede wereldoorlog een verzamelplek was voor allerlei kunstenaars en denkers: Marcel Duchamp en André Breton hebben er bijvoorbeeld asiel aangevraagd en gewerkt. Nu willen we onderzoeken wat er van die veilige plek over is voor de nieuwe, hedendaagse generatie migranten. Marseille is een havenstad, dus daar zijn enorm veel verschillende etnische groeperingen die samenleven. Daarom hebben we onderzocht hoe we de mensen uit al die groeperingen naar de publieke instituties kunnen brengen.

In 2022 strijkt Manifesta neer in Prishtina, Kosovo. Wat zijn je verwachtingen van die editie?

Financieel is er een uitdaging, omdat het nog geen EU-land is. En daarnaast vragen we ons op die plek heel erg af: hoe kritisch kan je zijn? Het is een land dat een genocide achter de rug heeft, dus we luisteren voornamelijk naar de lokale mensen. Het is momenteel politiek heel instabiel. De regering is een paar keer gevallen sinds we daar aan het werk zijn, dus we hopen dat we kunnen voortzetten wat we voor en met de bevolking willen doen.

We hebben het afgelopen halfjaar veel met de artistieke gemeenschap gesproken en nagedacht, en we horen de Kosovaren eigenlijk zeggen: we willen een permanent instituut. Een instituut dat onze cultuur inspiratie kan brengen, maar ook kan dienen als monument voor de genocide die heeft plaatsgevonden en de verhalen die daarbij horen.

 

Hoe zie jij de toekomst van Manifesta voor je?

Het nomadische karakter van onze biënnale blijft altijd heel belangrijk omdat we daardoor echt onder de huid kunnen kruipen van een stad en zijn gemeenschappen. Elke keer kijken we als door een vergrootglas naar een bepaalde stad. We proberen in die stad transformatieprocessen te ontwikkelen, als een mediator mensen bij elkaar te brengen en kritisch te observeren. In die zin denk ik dat er een meerwaarde in de biënnale zit. Ik vraag me tegelijkertijd af wat de relevantie is van de 140 biënnales die er bestaan, die enkel gericht zijn op het maken van tentoonstellingen. Met Manifesta willen we daarom misschien een heel andere richting op, waarbij we het concept van de biënnale als tentoonstelling nog meer los gaan laten. We willen onze beslissingsprocessen verder democratiseren, wat inhoudt dat we niet alleen met curators werken, maar ook met de mensen van de instituten uit de stad zelf. Het model van een externe curator die even moet komen aangeven wat de belangrijkste tendensen zijn, vind ik achterhaald en eigenlijk totaal oninteressant. Ik vind het bijna politiek incorrect – maar ook niet getuigen van heel veel realiteitszin – als je voor 5 tot 8 miljoen een tentoonstelling maakt. Voor wie doe je dat? Voor de kunstenaars, de galeries, de commercie? Wat is dan het profiel van je bezoekers? Zijn er niet andere belangrijkere zaken en onderwerpen die aangesneden kunnen worden? Het zou dus heel goed kunnen zijn dat we een meer sociaal-maatschappelijke, politieke richting op gaan met Manifesta. We kunnen ook als beweging doorgaan, in plaats van als biënnale.

 

Welke relevantie heeft een curator tegenwoordig?

De traditionele kunstcurator, daar geloof ik niet meer zo in. In hoeverre is het nog een houdbaar model, dat curatoren van waar dan ook in de wereld een land of stad bezoeken, en eigenlijk geen connectie hebben of begrijpen wat daar gebeurt? Ze spreken de taal niet en kunnen niet genoeg tijd doorbrengen met lokale mensen. Toch wordt er heel veel afgeschoven op curatorial autonomy. Vaak is de complexiteit: wat schrijf je toe aan de autonomie van een artistiek project of een artistiek curator, en waarmee wil je rekening houden? Dat heeft alles te maken met tolerantie en respect voor de lokaliteit. Ik geloof in een nieuw samenwerkingsmodel van lokale specialisten en externe professionals, die coproduceren en een interdisciplinaire benadering hanteren en hun tijd echt willen investeren in de stad of het land waar ze een project doen. Ik denk dat dat heel belangrijk is.

Manifesta heeft door zijn nomadische karakter een enorme bewegingsvrijheid. Corona dwingt de kunstsector tot lokaliteit, hoe denk je daarover? Hoe bewaken jullie toch die bewegingsvrijheid?

Mobiliteit hoeft niet fysiek te zijn. Vrijheid zit in je hoofd. Diversiteit zit ook in onze genen en onze geschiedenis. We leven in Nederland al heel lang niet meer in een homogene maatschappij. 400 jaar geleden, in de tijd van de Republiek, was dat ook al niet zo. In 1641 was Leiden een van de meest diverse steden in de wereld. Hier kwam men naartoe vanwege de godsdienstvrijheid. In die zin denk ik dus: laten we toch veel meer over onze eigen geschiedenis te weten komen, dan weten we in welke traditie we leven en welke tradities daarvan – de goede zijde – we kunnen voortzetten. We zouden ons meer kunnen concentreren op de overeenkomst, de dialoog die verschillende mensen, gemeenschappen en etnische groepen – die in Nederland leven – met elkaar kunnen bewerkstelligen.

 

Daar hebben we genoeg verhalen aan?

Ontzettend veel verhalen! Zelf heb ik een Duits-Franse achtergrond, dus dat gevoelige – de achtergronden, familieverhalen en persoonlijke mythologieën, maar ook etniciteit, religie en vervolging – hoe dat je kijk op de wereld verandert, dat zit echt in mijn DNA, ondanks dat ik wit ben. Ik geloof in drie zaken als het gaat om verhalen vertellen: ten eerste is dat interdisciplinariteit. Hoe kunnen architecten met kunstenaars en musici werken, en welke rijkdom komt er naar voren uit die nieuwe verbanden? Ten tweede geloof ik in de samenwerking van verschillende generaties. En tot slot in inclusiviteit; het is noodzakelijk om mensen met een andere etnische achtergrond bij elkaar te brengen en daarnaast ook voorrang te verlenen. En dan niet alleen westerse met niet-westerse mensen, maar bijvoorbeeld ook Oost-Europese en West-Europese mensen met elkaar verbinden. De noodzaak van die drie zie ik terug in onze eigen organisatie.

 

Overweeg je een editie van Manifesta te organiseren in Nederland?

Sinds 2015 ligt er een plan voor een editie in Amsterdam. De geschiedenis van Amsterdam is een hele bewogen geschiedenis. De slavernij, de industriële revolutie, sociale ongelijkheid door de eeuwen heen, het verhaal van de aankomst van de gastarbeiders in de jaren zestig en zeventig – dat is onze geschiedenis: hoe om te gaan met diversiteit en etnische minderheden? Je kunt zo ongelofelijk veel verschillende verhalen vertellen. We hebben dus een voorstel gedaan om een editie aan het IJ te organiseren. Burgemeester Femke Halsema vond het inspirerend wat we in Palermo hebben gedaan, omdat dat een heel sociaal politiek georiënteerde, geëngageerde biënnale was. Ze heeft gevraagd of we iets willen doen voor 2025, wanneer Amsterdam 750 jaar bestaat. We moeten dus gaan bedenken: wat en voor wie is er welke verbinding nodig in de stad?

Zou dat een permanente plek moeten worden?

Om je eerlijk te zeggen denk ik dat het unieke van Manifesta toch is dat we drie tot vier jaar in een stad kunnen incorporeren, en we daar – veel meer dan bestaande organisaties – als neutrale buitenstaander vragen kunnen stellen die anderen niet stellen, kritische posities in kunnen nemen die andere instellingen misschien niet in kunnen nemen. Manifesta kan veel meer risico’s nemen omdat we ook weer vertrekken. Dat helpt enorm bij het verbinden van plekken, instellingen en mensen. Voor een editie in Amsterdam heb ik voorgesteld: verbind allerlei culturele instellingen via het water van het IJ met locaties in het oude centrum van Amsterdam, maar ook met bijvoorbeeld het Hembrugterrein, de havens en tuinen van West, Geuzenveld, locaties in Zaandam, IJmuiden, de Haarlemmerliede, Velsen, Zaanstad. En ook met Ruigoord, Vuurtoreneiland, Pampus, de natuur: betrek de ecologie erbij. We hebben in Nederland en Amsterdam het water waar we veel meer gebruik van kunnen maken. Alternatieve mobiliteitsmiddelen over het water, net zoals de Circle Line in New York, zouden allerlei steden en dorpen aan het IJ kunnen verbinden. Er zijn mogelijkheden die ervoor zorgen dat Amsterdammers en een enkele toerist zich kunnen verspreiden over een groter gebied. Elke kosmopolitische stad heeft dat inmiddels al bewerkstelligd: New York met MoMA PS1, in Hong Kong doen ze dat goed, in Berlijn. Dat zijn misschien nog uitdagingen voor Amsterdam.

 

Wat zijn jouw gedachten over het huidige kunstenveld in Nederland?

Twee dingen zijn volgens mij belangrijk. De hele sector van kunst in de publieke ruimte lijkt te zijn verdwenen, ik zie de urgentie om daar weer aandacht aan te geven in nauw overleg met social designers en ecologen. Dat zou kunnen leiden tot procesmatige werken van vele disciplines, zoals SKOR dat dertig jaar geleden deed, of artistieke praktijken die samen met lokale gemeenschappen werken en gezamenlijk projecten tot stand laten komen. Ten tweede moet er enorm in educatie geïnvesteerd worden; kunsteducatie op school en middelbare scholen. Het is daarbij jammer dat prachtige instellingen als de Rijksakademie en De Ateliers niet de volledige financiering krijgen die ze eigenlijk verdienen. Nederland is zo sterk geworden in die postacademische opleidingen, zorg dan dat dat blijft bestaan. In Amsterdam is de hele middenlaag van kunstinstellingen verdwenen, waardoor de representatie en diversiteit van kunstenaars enorm achteruitgegaan is. Voorheen waren er kleinere plekken waar kunstenaars konden experimenten. Opstapplekken, maar ook plekken waar kunstenaars veel meer de ruimte kunnen nemen om hun praktijk te toetsen. Andere steden bieden die plekken wel, dus daarom, en vanwege de hoge kosten in Amsterdam, vertrekken veel kunstenaars. Dat zijn allemaal factoren die verbetering behoeven.

 

Manifesta doet veel voor de steden waarin de biënnale plaatsvindt. Wat krijgen jullie terug?

Nou, wat krijgen we terug? We zijn er enorm trots op dat we in staat zijn om, en er zijn niet zoveel instellingen die dat kunnen doen volgens mij, elke twee jaar ongeveer 25 tot 35 nieuwe werken te produceren. Er zitten altijd weer fantastische nieuwe werken bij en daar word ik heel vrolijk en blij van. Dat we die kunstenaars kunnen steunen, dat is waanzinnig.

Foto’s: Florian Braakman