Charles Esche

over het belang van het collectief, globale relaties en het gevaar van de utopie

Charles Esche

Charles Esche is sinds 2004 directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven. Daarnaast is hij professor aan Central Saint Martin in Londen en geeft hij les aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht. Esche pleit voor een verschuiving van onze aandacht: van het individu naar het collectief. Het is aan de kunstwereld om deze grote maatschappelijke transitie aan te jagen. “Mensen hebben elkaar altijd nodig gehad om iets te bereiken.”

In september 2021 opende het Van Abbemuseum zijn nieuwe collectiepresentatie: Dwarsverbanden. Met deze opstelling nodigt het museum de bezoeker uit om kunst op een multi-zintuiglijke manier te ervaren. Ook wil het Van Abbe met deze tentoonstelling de kunstgeschiedenis vertellen vanuit een ander perspectief, waarbij niet het individu voorop staat, maar het collectief. Jij hebt vaker de noodzaak van collectiviteit benadrukt. Kan je daar meer over vertellen?

Dat collectief werken een nieuw verschijnsel zou zijn, is een naïef idee. Dat gebeurt al sinds het begin der tijden. We moeten ons dus afvragen waarom wij in het Westen, sinds een jaar of tweehonderd, zo graag naar individuen kijken. We hebben de behoefte verhalen over genieën en helden aan elkaar te vertellen. We willen mensen op een voetstuk plaatsen. Daaruit is de overheersende geschiedenis van de Grote Mannen voortgekomen. Tijdens de tachtiger jaren van de vorige eeuw is die geschiedschrijving aan de hand van het individu tot een hoogtepunt gekomen, ook in de kunstgeschiedenis. Dat ging gepaard met een sterke individualisering van capaciteit: de kunstgeschiedenis vertelt ons wat één enkel persoon bereikt heeft. Het netwerk van mensen dat deze persoon ‘geholpen’ heeft, verdwijnt daarmee volledig uit het zicht.

Ondanks het feit dat de geschiedenis van kunst ons allerlei aanleidingen heeft gegeven om een collectief verhaal te vertellen, bijvoorbeeld binnen het kubisme, futurisme of constructivisme, hebben we ervoor gekozen verhalen over individuen te vertellen. De maatschappij ondergaat op dit moment grote en belangrijke transities, het herschrijven van de kunstgeschiedenis kan daar onderdeel van worden. Wat ik interessant vind aan een focus op collectieve kunstwerken, is dat het de mogelijkheid biedt de geschiedenis van kunst te herschrijven, te beginnen bij het idee dat mensen elkaar altijd nodig gehad hebben om iets te bereiken. Het zou goed zijn voor de mens om te gaan inzien en toegeven dat hij eerder een interdependent dan een independent wezen is.

Waar komt dat idee van menselijke onafhankelijkheid vandaan?

Dat is met name te wijten aan de commerciële markt – die heeft ons aangeleerd dat het negatief is onderling afhankelijk te zijn. Ons wordt verteld dat we een op zichzelf staande consument zijn: als consument hebben we recht op het maken van keuzes voor onszelf, mogen we anderen – voor zover mogelijk – negeren, en als we een compromis met een ander moeten sluiten ervaren we dat als iets vervelends. Ook op de kunstacademies wordt dit idee onderwezen: je moet je eigen taal vinden, voor jezelf werken, je eigen ervaring vertalen naar een schilderij. Het gaat met name om het ik en het ego. Dat moet gaan veranderen.

Hoe ziet die verschuiving van het ego naar het collectief eruit?

De cultuursector staat vaak aan de basis van grote maatschappelijke veranderingen en een nieuw “verhaal”. Kunst geeft energie, ideeën en nieuw leven aan de culturele bodem. Het is dus onder meer aan de kunst om na te denken over de veranderingen die we willen zien in onze maatschappij. In de curatoriële wereld zijn gelukkig verschuivingen te zien op dat vlak. Veel biënnales worden bijvoorbeeld door meer dan één persoon geleid, zoals Sonsbeek. Documenta doet dit jaar samen met het Indonesische collectief ruangrupa ook een stevige poging om een editie neer te zetten die gericht is op collectieve verhalen.

Wat opvalt is dat de pers en critici het ingewikkeld vinden om het verhaal van deze documenta te vatten. In reactie op documenta werd in de Duitse pers beweerd dat kunst per definitie niet door collectieven gemaakt zou kunnen worden, omdat het een individueel verschijnsel is. De invloed van de omgeving, wordt binnen dit idee volledig buiten beschouwing gelaten. De opvatting dat kunst een individueel verschijnsel is, is een hardnekkige. Uit zo’n benadering blijkt dat velen eigenlijk geen flauw benul hebben van hoe kunst tot uiting komt. Deze intolerante denkwijze is een voorbeeld van het hedendaagse conservatieve denken. En, dat wil ik benadrukken, dat geldt voor het hele politieke spectrum; zowel links als rechts staat men vrijwel niet open voor nieuwe denkkaders. Ik vind dat heel opmerkelijk van deze tijd.

Gelukkig blijven kunstenaars en creatieven daarentegen zoeken naar nieuwe perspectieven. Zij fungeren regelmatig als aanjagers van paradigmaverschuivingen. Ruangrupa, maar ook andere curatoren, zijn dus aanjagers van een nieuwe vorm van kunstbeschouwing. Positief gevolg hiervan is dat het oude (kunst)geschiedenisverhaal stukje bij beetje uit elkaar valt en ruimte ontstaat voor iets nieuws.

Ben je, ondanks het conservatieve denken van deze tijd, hoopvol over de toekomst?

Absoluut, zelfs ondanks het feit dat het verzet tegen verandering onder het merendeel van de mensen nog groot is. We hebben de afgelopen jaren gemerkt dat we niet veranderen door enkel met elkaar in gesprek te gaan. Er moeten dus gemeenschappelijke gebeurtenissen of vraagstukken op ons pad komen die ons dwingen samen aan oplossingen te werken en verandering te omarmen. En die vraagstukken zijn er. We staan nu bijvoorbeeld voor een wereldwijde uitdaging rondom het klimaat. We leven in een moeilijke periode, maar die is nodig om tot een nieuwe maatschappelijke balans te komen die niet langer draait om kapitalistische groei en het ego. Een balans die volgens mij bestaat uit meerstemmigheid, verschillen en relaties.

In de kunst bestaan monochrome schilderijen en veelkleurige schilderijen. Tot kort geleden hebben we het monochroom uitgebreid onderzocht, zijn we op zoek geweest naar de essentie ervan. Op die manier bedrijf je apartheid in letterlijke zin: zaken van elkaar scheiden die niet los van elkaar gezien kunnen worden. Het modernisme is hierin te ver doorgeschoten met als hoogtepunt kunst te verheffen tot autonoom object.

Autonome kunst is onzin, kunst is niet te vatten in één essentie. Nu is het tijd voor de veelkleurige schilderijen om op de voorgrond te treden. Het nog steeds heersende blauwe monochroom mag op zijn doek ruimte gaan maken voor andere kleuren. Het blauwe geeft daarmee zijn ruimte niet op, maar biedt de mogelijkheid iets toe te voegen aan het doek. Alle kleuren in het schilderij hebben hun eigen verhaal. Dat geldt ook voor mensen. Als we ruimte voor elkaar maken, waarlijk naar elkaar beginnen te luisteren en onze verschillen gaan waarderen, kunnen we goede relaties met elkaar aangaan en het geschiedenisverhaal uitbreiden.

Als wij als museum iets kunnen toevoegen, is dat het laten zien van relaties en de diepte daarvan. Dwarsverbanden gaat bijvoorbeeld om relaties met en tussen kunstenaars, maar ook tussen het publiek en het museum. Op die manier breken we met de modernistische wetten van “autonome kunst”. Geen witte muren en vloeren meer, geen streng protocol over hoe kunst getoond moet worden.

Heeft kunst altijd een verantwoordelijkheid iets in de werkelijkheid te bewerkstelligen?

Ik weet niet of het zozeer met verantwoordelijkheid te maken heeft. Ik ben van mening dat kunst een taak heeft; als kunstprofessionals hebben wij onze taak in de maatschappij. En die taak houdt bijvoorbeeld in dat we de transities van dit moment tegemoetkomen. Kunstenaars(collectieven) kunnen hun taak in de maatschappij op hun eigen manier invullen met hun kunst, maar altijd is het van belang dat ze verbeelding gebruiken, nieuwe ideeën een kans geven, of oude, vergeten ideeën een kans geven. Hierbij fungeert het museum als gereedschap. De kunstenaar is en blijft altijd onderdeel van een maatschappij, dat kan niet ontkend worden. Daarom heb ik moeite met het loskoppelen van kunst van zijn taak, met andere woorden: het autonoom maken van kunst. De maatschappij is afhankelijk van de kunstenaar, en andersom is de kunstenaar afhankelijk van de maatschappij. Dat moeten we bespreekbaar maken.

In een van jouw essays waarschuw je voor het idee dat we als mensheid onderweg zijn naar een utopisch eindpunt in de toekomst. Wil je hiermee zeggen dat je utopisch denken in de kunst afwijst?

Een utopie is een gevaarlijk verschijnsel, een dogma bijna. Zeker in de kunst. Utopie komt van het Griekse Ou-Topos, wat “niet-bestaande plaats” betekent. De utopie is dus een onmogelijke werkelijkheid, een verbeelding die is losgekoppeld van de werkelijkheid. Dat utopische denken in de kunst is comfortabel, want daarbij hoef je als kunstenaar weinig tot geen verantwoordelijkheid te nemen. Natuurlijk is fantasie en verbeelding in de kunst mogelijk als exercitie, om tot een idee te komen. Vervolgens is het belangrijk dat er een verband gelegd wordt met de realiteit en het publiek. Door die relativering kom je terug van de utopie, tot de topie, de topos: de bestaande plaats.

Over plaatsen gesproken – wat is jouw visie op geglobaliseerde kunst versus het vertellen van lokale verhalen?

De globale economie vroeg om een globale cultuur. De geglobaliseerde kunstmarkt had kunst nodig die de wereld over kon reizen en overal leesbaar – en dus verkoopbaar – was. Die kunst moest dus niet te plaats-specifiek zijn, niet te lokaal. Naast globalisering bloeide tegelijkertijd de individualisering op. Daardoor zijn we zowel minder verbinding met onze directe geografische omgeving gaan voelen, als met onze eigen sociale laag, die erboven en die eronder. We zijn het idee van verbondenheid verloren, en daarmee ook het idee van verantwoordelijkheid. Dat heeft ons eenzaam gemaakt. Nu lopen we wat globalisering en individualisering betreft tegen een grens op, zowel in de economie en in de kunst als op persoonlijk vlak.

De vraag is nu waar we dat gevoel van verbondenheid en verantwoordelijkheid kunnen terugvinden. Gaan we terug naar een lokaal verhaal dat enkel gericht is op de mensen die in jouw omgeving wonen? Dat denk ik niet. Volgens mij gaan we een tijd tegemoet waarin we specifieke relaties met specifieke plekken aangaan, waar dan ook ter wereld. Wij als museum hebben niet langer alleen een verantwoordelijkheid voor Brabant, maar ook voor bijvoorbeeld het Indonesische Sumatra, toen we bij het maken van een tentoonstelling gekozen hebben daar een artistieke relatie mee aan te gaan. Die nieuwe relaties zijn dus wel globaal, maar niet globaliserend. Het aangaan van dat soort relaties is iets wat kunst vrij goed kan. Een museum heeft dus de uitdaging niet langer op zoek te gaan naar de universele waarde van kunst, maar juist de lokale inbedding ervan. Vanuit die stevige lokale inbedding kan je vervolgens specifieke globale relaties aangaan.

Waar werken jij en je curatorenteam op dit moment aan?

We zijn bezig met het project The Four Soils, geïnspireerd op het werk van de Palestijnse theoreticus Munir Fasheh. In zijn werk spreekt hij over vier bodems: de aardbodem, de culturele bodem, de gemeenschapsbodem en de affectief-spirituele bodem. Middels dit idee van The Four Soils willen we de menselijke relatie tot zijn bodem onderzoeken. We moeten de vier bodems voeden om tot een gezonde relatie met de wereld te komen. Een korte analyse van de huidige status: met de aarde gaat de mens niet goed om, daar kunnen we kort over zijn. De affectief-spirituele bodem is verwaarloosd door de individualisering en het extremisme binnen religies. De gemeenschapsbodem staat voor een vraagstuk: hoe bouwen we globale relaties tussen verschillende lokale gemeenschappen op? De culturele bodem zit in transitie: het is aan kunstenaars tot het besef te komen dat het zo slecht nog niet is om kleurrijk te worden. Dat het mogelijk is in al onze verschillen bij elkaar te komen.

Kan je iets meegeven dat kan bijdragen aan dit besef?

We moeten ophouden onze successen te meten aan de hand van cijfers, en ons – ik zeg het nog maar een keer – gaan richten op relaties. En toegeven dat we onderling afhankelijk zijn. Ga na bij jezelf: hoeveel relaties heb je versterkt in je eigen omgeving? Hoeveel relaties heb je versterkt met mensen uit andere omgevingen? Hoeveel mensen heb je aangeraakt, gesproken, een vraag gesteld? Wanneer die waarden van menselijke relaties en collectiviteit gaan verwerkelijken in ons leven, geloof ik dat we als mensheid grote veranderingen teweeg kunnen brengen.

 

Foto’s: Florian Braakman